Noachieden van de Lage Landen

Kli

De datum van Purim is de 14e van Adar (of Adar II als het een schrikkeljaar is in de Hebreeuwse kalender). Een Noachied die dat wenst, mag het boek Esther op Poerim * lezen, en er zijn ook talloze universele boodschappen uit Poerim die een Noachied ter harte kan nemen en uitvoeren op die dag en in het algemeen in zijn of haar dagelijkse leven:
1) Erken dat G-d de intieme controle heeft over alle gebeurtenissen in de wereld, zowel de grote gebeurtenissen als de schijnbaar 'kleine' gebeurtenissen, zelfs als Zijn leidende invloed voor een bepaalde tijd verborgen lijkt te zijn, zoals het was tijdens de gebeurtenissen jaren die leidden tot het Poerim-wonder. Dit wordt de individuele Goddelijke voorzienigheid genoemd. Als slechte mensen voor een bepaalde tijd de overhand lijken te hebben, is het alleen zo dat ze ten val zullen worden gebracht - uiteindelijk zal ofwel hun kwaad teniet worden gedaan en zullen ze berouw hebben, ofwel zullen ze zelf ten val worden gebracht.
2) Ieder individu heeft de verantwoordelijkheid om te doen wat juist is in G-ds ogen en om de oproep van het uur te beantwoorden ter ondersteuning van de leidende principes van G-ds Tora. Je moet niet werkeloos toekijken en verwachten dat iemand anders je missie voor je zal doen. Maar wat nodig is, moet worden uitgelegd door de Joodse spirituele leider van de generatie, die is zoals Mozes in zijn tijd, of Mordechai in zijn tijd, omdat G-d deze persoon het geïnspireerde inzicht geeft om te weten wat er op een bepaald moment nodig is.
Bijvoorbeeld, ten tijde van Chanoeka onthulde Matisyahu dat de oproep van het uur was om op te staan ​​en te vechten tegen de onderdrukkende Grieken. Toen een dappere groep Joden dit deed, werden ze beantwoord met Goddelijke wonderen. In tegenstelling daarmee onthulde Mordechai in de tijd van Poerim dat de oproep van het uur was dat de Joden met berouw en gebed zouden terugkeren naar de Tora, studie en naleving van hun geboden. Toen alle Joden dit het hele jaar deden toen ze onder de dreiging van Hamans slechte decreet stonden, werden ze beantwoord met G-ds reddende wonderen.
3) Wees blij en maak anderen blij! Tijdens de Hebreeuwse maand Adar waarin Poerim valt, is het de tijd om in geluk toe te nemen, alleen ter wille van zichzelf, dat voortkomt uit geluk in je geloof in G-d. Geluk heeft de kracht om spirituele barrières te doorbreken en wat negatief lijkt om te zetten in een situatie die op een open manier gelukkig positief is.
4) Geef gepaste liefdadigheid voor de fysieke behoeften van arme mensen. (Dit is een van de traditionele vieringen die Joden overdag op Poerim moeten doen.)
5) Het enige Joodse feest dat specifiek het geven van geschenken als een van de traditionele vieringen omvat, is Poerim. Joden zijn door de Tora-wet verplicht om ten minste één geschenk van ten minste twee verschillende soorten koosjer en kant-en-klaar voedsel (of voedsel en drank) te geven aan ten minste één Joodse vriend overdag op die dag. Het is traditioneel voor mannen om dit geschenk aan mannen te geven, en voor vrouwen om aan vrouwen te geven. Een niet-Jood mag deelnemen aan deze activiteit om geschenken te geven, maar niet als een kwestie van religieuze naleving.
6) Koning David schreef Psalm 22 als een profetie van het gebed van koningin Esther, toen ze haar leven op het spel zette door op de derde dag van haar vasten onuitgenodigd naar de koning in zijn troonzaal te gaan, om hem uit te nodigen voor een privéfeest samen met de slechte Haman. Wonder boven wonder werd haar gebed verhoord, en dat feest (het eerste van twee) was het begin van Hamans ondergang. * Als een niet-Jood luistert naar of het boek Esther op Poerim leest, zou hij of zij de bijbehorende Joodse liturgische zegeningen die worden gezegd dat het een gebod is om dat te doen niet moeten zeggen, omdat het een valse verklaring zou afleggen tegenover G-d (aangezien het aan Noachieden niet geboden is om deze activiteit te doen).
Ik plaats hier voor het overzicht ook gedeelte wat ik eerder plaatste onder de post van Hadassah.
===========================================================
Geschenken aan de armen
De Lubavitcher Rebbe, Rabbi Menachem M. Schneerson, gaf de volgende uitleg:
* Afgezien van de les die Poerim ons leert om het jodendom onder het Joodse volk te verspreiden, leert het ons ook dat we goedheid, gerechtigheid en gerechtigheid moeten brengen aan de hele wereld, inclusief aan de niet-Joodse volkeren ...
Niet alleen moet een Jood zich met totale standvastigheid gedragen en zich niet laten intimideren door de niet-Jood, maar hij moet ook de niet-Jood beïnvloeden om zich op een rechtvaardige, rechtvaardige manier te gedragen, door hem ertoe te brengen de Code van Noach te volgen. Dit wordt benadrukt in het verhaal van de Megillah [het boek Esther]:
Nadat Mordechai was benoemd tot onderkoning [van Perzië], streefde hij ernaar het welzijn van alle inwoners van de landen onder koning Achashverosh te bevorderen - zowel de Joden als de niet-Joden van de honderdzevenentwintig landen ... [1]
Het verhaal van de Megillah bevat dus nog een les: een Jood moet zich inspannen om het welzijn van alle niet-Joodse volkeren te bevorderen. Hij bereikt dit door hen te beïnvloeden om de Noachidische Code te volgen, waarvan het onderliggende thema het handhaven van een beschaafde wereld is. [2]
Voetnoten: [1] Historische achtergrond: Op Nissan 13, 357 BCE, werd een koninklijk besluit uitgevaardigd door koning Achashverosh van Perzië, waarin werd bevolen dat alle Joden in het volgende jaar moesten worden vermoord (wat in zijn macht lag, omdat het hele Joodse volk binnen zijn rijk). Dit decreet werd geïnitieerd door de slechte Haman, een Amalekiet die aan de macht kwam als onderkoning van de koning. In dat jaar daarop werd, als gevolg van de tussenkomst van koningin Esther en G-ds reddende wonderen, een tweede decreet uitgevaardigd door koning Achashverosh, dat de Joden de macht gaf zichzelf te verdedigen. Op 13 en 14 Adar van dat jaar, 356 v.G.T., vochten de joden overal in het rijk veldslagen tegen Hamans mede-Amalekieten die van plan waren om de vernietiging van alle Joden uit te voeren, zo verhoede God. Met de hulp van G-d zegevierden de Joden over deze vijanden, en het Joodse festival van Purim werd vervolgens ingesteld door de rechtvaardige wijze Mordechai (die Haman verving als onderkoning), koningin Esther en de andere Joodse wijzen van hun generatie.
[2] Deze richtlijn is te vinden in de Hebreeuwse Bijbel in Jesaja 45:18 - “Want zo zei de HERE, de Schepper van de hemel, Die is G-d, Die de aarde vormde en haar maakte, Hij vestigde haar; Hij creëerde het niet voor een verspilling, Hij vormde het om te worden beslecht [door mensen die rechtschapen met elkaar handelden], ‘Ik ben de Heer en er is geen ander.’


Parasja Teroema Shemoth (Exodus 25:1- 27:19 Parasja Teroema)
door Rabbi Yehonasan Gefen
וְעָשִׂיתָ מְנֹרַת זָהָב טָהוֹר מִקְשָׁה תֵּעָשֶׂה הַמְּנוֹרָה יְרֵכָהּ וְקָנָהּ גְּבִיעֶיהָ כַּפְתֹּרֶיהָ וּפְרָחֶיהָ מִמֶּנָּה יִהְיוּ׃
Je moet een kandelaar van zuiver goud maken, één stuk gedreven werk moet de kandelaar zijn; zijn voetstuk, zijn schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems moeten er uit één stuk mee zijn.
(Sefaria en Dasberg Shemoth 25:31)
Rasji, 25:31: sv. Zal de Menora gemaakt worden: door zichzelf; omdat Mozes het moeilijk vond [om het te maken], zei God tegen hem, 'gooi het goud in het vuur en het zal vanzelf gemaakt worden'.
Rash haalt de Midrasj Tanchuma aan om de taal van de Tora uit te leggen dat de Menorah "zal worden gemaakt", in tegenstelling tot; "u zult maken" de Menora. De Midrasj vertelt ons verder dat Moshe niet kon visualiseren hoe de Menora eruit zou moeten zien, dus liet God hem een ​​Menora van vuur zien. Zelfs toen, na veel en grote inspanning om het te maken, was het Moshe nog steeds niet gelukt om dat te doen. Daarom droeg God hem op om het goud in het vuur te gooien en de volledige Menora kwam tevoorschijn. De Sfat Emet vraagt ​​dat als de Menora voorbestemd was om zelf gemaakt te worden, wat was dan het doel om Mosje het beeld van de Menora te laten zien - zelfs als hij dan nog steeds niet in staat was om het te maken!
Hij antwoordt dat dit ons een fundamenteel principe in de Tora-gedachte leert: ook al heeft de mens een vrije wil om beslissingen te nemen om al dan niet Gods wil te volgen, hij heeft niet het feitelijke vermogen om de instructies uit te voeren, tenzij God hem daartoe in staat stelt. Iemand kan bijvoorbeeld besluiten liefdadigheid te geven, maar een aantal obstakels kan hem verhinderen dat ook daadwerkelijk te doen. Op een nog fundamenteler niveau vereist de meeste mitswot één of andere fysieke handeling, en de mens kan deze handelingen alleen uitvoeren als God hem daartoe in staat stelt. Wat verlangt God dan van de mens? Alleen dat hij de moeite neemt om de mitswot uit te voeren. Zelfs als hij ze niet kan voltooien, heeft hij gedaan wat van hem wordt verlangd. Maar, zegt de Sfat Emet, als hij de moeite doet met al zijn kracht, dan zal hij de siyata dishmaya (hemelse hulp) ontvangen om de mitswa daadwerkelijk te voltooien.
Dit is wat er gebeurde met Mozes en de Menora - God had niet verwacht dat hij de bouw ervan zou voltooien, maar Hij liet Mozes een beeld van de Menora zien, zodat hij moeite zou doen om het te bouwen. Als beloning voor zijn inspanningen voltooide God de taak.
Rav Chaim Shmuelevitz schrijft over een aantal karakters in de Tora die een voorbeeld waren van een geloof in het idee dat als een persoon de moeite doet om Gods wil uit te voeren, hij ongelooflijke goddelijke hulp zal ontvangen om bovenmenselijke resultaten te bereiken. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van Batya, de dochter Farao, die de jonge Mozes redde uit de rivier. Een van de minder besproken vragen over dit verhaal is waarom Batya zelfs probeerde haar hand uit te steken om Moshe eruit te halen, terwijl het fysiek onmogelijk was hem te bereiken. Het antwoord is dat ze de noodzaak inzag om de inspanning te leveren, ook al was er geen logische manier om die inspanning te vervullen. Maar omdat ze de moeite deed, verrichtte God een wonder door haar arm te verlengen waardoor ze kon slagen.
We hebben aan het voorbeeld van Mozes en de Menora gezien hoe God alleen eist dat we proberen Zijn wil te doen, en als we dat oprecht doen, zal Hij de taak voor ons voltooien. Een recent dramatisch voorbeeld van dit idee werd gezien bij de Dirshu siyum HaShas. 200 mannen leerden de hele Talmoed en werden op alles getest. Velen van hen zeiden dat ze, toen ze begonnen, niet dachten dat ze de tests van zelfs maar één traktaat konden doorstaan, maar op de een of andere manier slaagden ze erin en bleven ze doorgaan, totdat ze deze ongelooflijke prestatie hadden bereikt. Mogen we het allemaal verdienen om ze na te volgen in onze eigen spirituele groei.
Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel:
Opmerking van Angelique; wat leren wij hiervan?
Als je er net bewust voor gekozen hebt om Noachied te worden, kan alles soms nogal overweldigend zijn. Wat mag/moet allemaal wel/niet. Hoor je gebeden te zeggen en zo ja welke zeg je dan en hoe doe je dat doen. Mag het in je eigen woorden, of moet je een vaste structuur aanhouden. Wat zijn brachot en wanneer zeg je die dan en hoe dan? Welke feesten kun je wel vieren, welke niet. Kortom zoveel nieuwe dingen om te leren en om over na te denken. Soms heb je het gevoel wellicht dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Deze parasja laat heel mooi zien dat als we als mens de eerste stap zetten, dus er bewust voor kiezen om Noachied te worden, dat HaShem zal helpen en leiden om de juiste stapjes te gaan zetten in de juiste richting op moment die voor jou als mens mogelijk en wenselijk zijn.
lik hier om de tekst te bewerken

Verzoening voor de verkoop van Josef
(Exodus 30:11-16 – Parasja Shekaliem)
door Rabbi Yehonasan Gefen
"Dit zullen ze geven - iedereen die de volkstelling doorloopt - een halve shekel van de heilige shekel, de shekelis 20 geras, een halve shekel als een deel aan Hashem."[1]
In Parasja Ki Tisa, instrueert de Tora iedereen om een ​​halve shekel (bekend als machsit hashekel) te geven voor het gemeenschappelijke offer dat in de Mishkan (Tabernakel) wordt gegeven. Sinds de vernietiging van de Tempel verdienen we het niet langer om deze mitswa te hebben, maar we herinneren het ons elk jaar als we Parasja Shekaliem lezen. Dienovereenkomstig blijven er nog steeds waardevolle lessen die kunnen worden afgeleid uit de machsit-hashekel.
De Midrasj Rabba biedt een verrassende reden voor de mitswa, en in het bijzonder waarom de specifieke waarde van een halve shekelmoet worden gegeven. De Midrasj legt uit dat het geven van de halve sjekeldient als verzoening voor de verkoop van Jozef door zijn broers. De broers verkochten Jozef voor twintig zilverstukken. Dit komt overeen met vijf shekel. Tien van de broers verkochten Jozef, en elk ontving een tiende van deze waarde, waarmee ze elk een halve shekelverdienden. Aangezien elke broeder bij de verkoop een halve shekelverdiende, kregen hun nakomelingen de opdracht een halve shekel als verzoening te geven.[2]De voor de hand liggende vraag die gesteld moet worden is ,wat is het verband tussen het geven van een halve shekel en de verkoop van Jozef?
Om hier antwoord op te kunnen geven, moeten we ons begrip over de verkoop van Jozef vergroten. De broers wisten dat twaalf stammen voorbestemd waren om uit Jacob te komen. Elke stam zou zijn eigen unieke kwaliteiten hebben en ze zouden allemaal samenkomen om samen het Joodse volk als geheel te vormen, waarbij de stammen elkaar zouden aanvullen. De broers besloten dat Jozef zijn recht om deel uit te maken van deze groep had verloren, vanwege, wat zij zagen als, zijn gevaarlijke houding en gedrag. Daarom geloofden zij dat ze Jozef van de voorbestemde 12 stammen konden verwijderen en er slechts elf over zouden blijven. De chiddush(nieuwigheid) van deze benadering was dat ze van plan waren een van de twaalf stukjes van de puzzel te verwijderen waaruit het Joodse volk zou bestaan. Ze voelden dat ze het zonder Jozefs mogelijke bijdrage aan het Joodse volk konden stellen, en het Joodse volk zonder hem verder kon.
Met dit begrip kunnen we nu uitleggen hoe de mitswa van Shekalimverzoent met de verkoop van Jozef. De commentaren wijzen op de betekenis van het feit dat men een halve shekel moet geven in plaats van een volledige shekel. Velen leggen uit dat het ons gaat leren over het belang van eenheid onder het Joodse volk door te laten zien dat elke persoon maar 'een halve persoon' is wanneer hij zich niet verenigt met de sterke punten van zijn medemens.[3]Men moet niet denken dat men zich kan scheiden van zijn mede-joden en onaangetast kan blijven. Een persoon met deze houding zal onvolledig zijn. Op deze manier kan de mitswa van het geven van een halve shekel dienen als verzoening voor de verkoop van Jozef. Jozefs broers dachten dat ze het prima konden redden zonder Jozefs bijdrage aan het Joodse volk. Hun fout was, dat zelfs als ze dachten dat hij een fout maakte, hij nog steeds een essentieel onderdeel van het Joodse volk was. Door een halve sjekel te geven, herinneren we ons eraan dat dit niet de juiste houding is - alle joden maken deel uit van een verenigd geheel en iedereen moet zich verenigen met zijn medemens.
Dit idee strekt zich zelfs uit tot mensen die zich niet op de meest optimale manier gedragen. Kort na de mitswa van het geven van een halve shekel, beveelt God ons om een ​​aantal kruiden te combineren om de wierook te maken. Een daarvan is de chelbanah, waarvan de Wijzen ons vertellen dat het een vies ruikende geur heeft. Waarom zit het dan in de ingrediënten voor de wierook? De Talmoed legt uit dat elk gemeenschappelijk vasten dat geen zondaars omvat, niet als een echt vasten wordt beschouwd.[4]Rav Chaim Shmuelevitz legt uit dat wanneer het Joodse volk niet verenigd is, ze niet als één eenheid wordt beschouwd en dat daarom de macht van de gemeenschap drastisch verzwakt is.[5]
De Bostoner Rebbe belichaamde de houding dat elke jood met respect moet worden behandeld, ongeacht zijn religieuze overtuiging. Zijn begrafenis getuigde hiervan door het feit dat er talloze mensen aanwezig waren die niet als gewone Bostoner Chassidiem zouden worden geclassificeerd. Hij drukte zijn houding op dit gebied kort uit: Hij zei: "Wanneer mensen proberen de ene groep van de andere te scheiden, maakt dat deel uit van de 'Tora' van sinat Yisra'el (haat tegen Joden). Iedereen kan verbeteren. Elke groep kan verbeteren. Maar het betekent niet dat deze mensen zwart gemaakt moeten worden, omdat sommige mensen denken dat ze niet precies zijn zoals ze zij ... "[6]
We hebben gezien hoe de Midrasj, die het gedeelte van de verkoop van Jozef verbindt met de mitswa van het geven van een halve shekel, ons leert dat we ons moeten realiseren dat we nooit andere joden zwart mogen maken, ongeacht wie ze zijn. Mogen we het allemaal verdienen om te leren van de woorden van de Bostoner Rebbe en dat we zijn daden mogen evenaren in het streven om alle joden te verenigen.
Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Parshat Shekalim: Atonement for the Sale of Joesph (aish.com)
Opmerking van Angelique; wat leren wij hiervan?

Eenheid is denk ik één van de moeilijkste dingen die er is. Want hoe gemakkelijk is het om verschillen te benadrukken, waarbij de “ander” het natuurlijk fout doet en “jij” het natuurlijk goed. Als ik kijk naar de kleine groep bnei Noach in Nederland dan doet het mij oprecht pijn dat we daarin blijkbaar geen eenheid kunnen scheppen omdat we op essentiële punten verschillende rabbijnse leringen volgen. Mijn grootste hoop is dan ook dat deze grote rabbijnen op een dag bij elkaar gaan zitten en één duidelijke leer naar buiten brengen voor bnei Noach zodat er binnen zo’n klein groep mensen die toch allen zoeken naar wegen om HaShem oprecht en goed te dienen éénheid komt. Tot dat moment moeten we vooral proberen om elkaar te respecteren. Maar daarbij wel bij The Divine Code blijven en geen water bij de wijn doen….en tsja…daar zit dan gelijk de nekslag…want hoe krijg je dan eenheid?
[1] Ki Sisa, 30:13
[2] Bereishit Rabba, 84:17. Met commentaar van 'Matnot Kehunah'. Men zou kunnen vragen dat volgens deze redenering de afstammelingen van Jozef en Benjamin (die niet bij de verkoop betrokken waren) zouden moeten worden vrijgesteld van deze Mitzva. Het lijkt erop dat er andere redenen zijn voor de Mitzva van Shekalim die elke man verplichten om het te geven, maar het bedrag van een halve shekel wordt bepaald door de berekening gemaakt door de Midrasj
[3] Zie Tallelei Orot, Shemot, chelek 2, blz. 202 in de naam van de Chida, en beshem amroo, Shemot, Ki Tisa, 30:13 in de naam van Arvei Hanachal (auteur van Levushei Srad op Sjoelchan Aroech).
[4] Krisus, 6b
[5] Sichot Mussar, Maamer 54 blz. 231
[6] Geciteerd in Mishpacha Magazine, Issue 287, 22 Kislev, 5770, blz. 41
Yitro (Exodus 18-20)
door Rabbi Yehonasan Gefen
וַיִּשְׁמַע יִתְרוֹ כֹהֵן מִדְיָן חֹתֵן מֹשֶׁה אֵת כָּל־אֲשֶׁר עָשָׂה אֱלֹהִים לְמֹשֶׁה וּלְיִשְׂרָאֵל עַמּוֹ כִּי־הוֹצִיא יְהוָה אֶת־יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָיִם׃
Toen Jitro, de priester van Midjan, de schoonvader van Moshé, alles hoorde wat God voor Moshé en zijn volk Jisraël had gedaan, dan de Eeuwige Jisraël uit Egypte had gevoerd. (Shemot 18:1 Sefaria en Dasberg)
Rashi, Shemot, 18: 1, sv. En Yitro hoorde: "Welk nieuws hoorde hij dat hij kwam? De splitsing van de Yam Suf en de oorlog tegen Amalek."
Rashi wijst op twee gebeurtenissen die een bepalende rol speelden in Yitro's gedenkwaardige beslissing om zich bij het Joodse volk aan te sluiten; Kriat Yam Suf (de splitsing van de Zee van Riet) en de oorlog tegen Amalek. De Be'er Yosef merkt op ​​dat het begrijpelijk is dat Kriat Yam Suf Yitro inspireerde tot bekering. Het was een gedenkwaardige gelegenheid waarin Gods aanwezigheid werd onthuld door openlijke wonderen. De strijd met Amalek was echter veel minder inspirerend - hoewel de Goddelijke Voorzienigheid duidelijk was, was het veel minder wereldschokkend dan de andere wonderen. Bovendien waren er momenten in de strijd dat Amalek in opkomst was, met als resultaat dat deze strijd 'natuurlijker' leek dan de andere gebeurtenissen van de Exodus (Yetsiat Mitzrayim). Als de gebeurtenissen van de Exodus onvoldoende waren om Yitro tot bekering op te wekken, hoe zou deze strijd dan meer kunnen bereiken?!
Hij begint zijn antwoord door te erkennen dat het niet de wonderbaarlijke aard van de strijd met Amalek was die Yitro inspireerde. In feite was het juist het nadelige effect dat deze strijd had dat hem ertoe aanzette zich bij het Joodse volk aan te sluiten: de volkeren van de wereld werden enorm geraakt door de wonderen van Yetsiat Mitzrayim, zoals er staat in het Lied van de Zee: "Toen werden de stamhoofden van Edom beschaamd, en beefden de krachten van Moab, alle inwoners van Kanaän vielen uiteen."[1] Toen Amalek echter aanviel, verminderden zij de gevoelens van ontzag die de wereld had voor het Joodse volk. Ze zagen de joden nu niet als onoverwinnelijk en hun respect voor Gods volk bekoelde. Dit wordt uitgedrukt door de Wijzen in hun analogie van een kokend heet bad waar niemand in zal springen. Plots springt een man erin en wordt verbrand, maar hij koelt het water daardoor wel af. [2]Hoewel Amalek verslagen was, hadden ze momenten waarop ze succesvol waren, en het zien van zo’n gebruikelijke vorm van strijd slaagde erin de effecten van de wonderen Yetsiat Mitzrayim te doen verflauwen. De aanval van Amalek had dus het tegenovergestelde effect van de wonderen.
Hoe heeft dat Yitro ertoe aangezet om zich te bekeren? De Be'er Yosef vervolgt dat Yitro's belangrijkste overweging het effect was dat de strijd met Amalek zou hebben op Gods naam in de wereld. Als Amalek niet had aangevallen, dan was het Yitro misschien voldoende geweest om een Noachidische Jood (Ben Noach) te zijn en de Joden met bewondering te bekijken en hij hoopte zeker dat de rest van de wereld hetzelfde zou doen. Na deze aanval voelde Yitro echter de behoefte om zich publiekelijk aan te sluiten bij het Joodse volk om te laten zien dat de volkeren nog steeds een groot ontzag voor het Joodse volk zouden moeten hebben. Hij was een zeer bekende figuur in de wereld en hij realiseerde zich dat zijn reis van Midjan naar de woestijn breed bekeken zou worden. Bovendien vertellen de Wijzen ons dat hij zich tot het uiterste heeft ingespannen om zijn toetreding tot de Joden bekend te maken.[3]De Midrash zegt ons dat HaShem Zelf tegen Moshe zei dat Yitro's bedoelingen volkomen zuiver waren. De Be'er Yosef legt uit dat de zuiverheid van zijn bedoelingen tot uiting kwam in zijn verlangen om het negatieve effect van Amalek tegen te gaan.
De vraag blijft; slaagde Yitro in al zijn pogingen om Gods naam te heiligen onder de volkeren van de wereld. De Zohar antwoordt dit: "Toen Yitro, die de hogepriester van afgoderij was, zei:' Nu weet ik dat God groter is dan alle goden ',[4]de eer van de Heilige, Gezegend is Hij, steeg en heerschappij over alles kreeg. Omdat [Yitro] de Heilige, gezegend is Hij, diende nam iedereen onmiddellijk afstand van hun afgoderij, [want zij] realiseerden zich dat er geen waarheid in zat. Zo werd de Naam van de Heilige, gezegend zij Hij, geheiligd over de hele wereld."[5]
Yitro heeft ons een geweldige les geleerd tijdens zijn reis om een ​​jood te worden. Het is niet genoeg om na te denken over de eigen relatie met God, maar ook over hoe men anderen kan beïnvloeden. In deze geest schrijft Rav Chaim van Volozhin dat we in de Shemoneh Esrei van Rosh Hashana zeggen dat Hashem de "maaseh ish upekudato" beoordeelt. Maaseh ish betekent iemands eigen acties, maar waar verwijst 'pekudato' naar? Hij legt uit dat elke persoon een invloedssfeer buiten hemzelf heeft, waaronder zijn familie, zijn studenten en alle mensen die met hem in contact komen. De manier waarop hij deze mensen door zijn eigen daden beïnvloedt is 'pekudato' en ook op dat gebied wordt hij beoordeeld. Als ze, door zijn gedrag te bekijken, leren om hun avodat Hashem te verbeteren, dan zal hij veel beloning ontvangen, maar als het tegenovergestelde gebeurt, zal hij worden beoordeeld voor zijn aandeel in hun zonden, net zoals hij wordt beoordeeld voor zijn eigen zonden.[6]De acties van een persoon vinden niet in een vacuüm plaats, maar ze worden altijd opgemerkt door anderen, daarom moeten we ons constant bewust zijn van het mogelijke effect dat we op anderen kunnen hebben zonder zelfs rechtstreeks met hen te communiceren. Yitro erkende dit feit en handelde ernaar - dus is hij een lichtend voorbeeld voor ons allemaal.
Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Yitro: Sanctifying God's Name (aish.com)
Opmerking van Angelique; wat leren wij hiervan?

Voor Jetro was het mogelijk om de keuze te maken om uit te komen in het Jodendom en op deze manier was hij in staat om de Naam van HaShem groot te maken. Wat betekent dit voor ons, wat betekent dit voor mij. Om het bij mijzelf te houden. De weg tot uitkomen is ( in elk geval op dit moment) een doodlopende weg, maar betekent dat dan dat ik de Naam van HaShem niet groot kan maken? In het ochtendgebed dank ik HaShem dat Hij mij gemaakt heeft tot wie ik ben. Dat betekent ook dat ik erop mag vertrouwen dat dit de plek is waar Hij mij nodig heeft. Op deze plek, op mijn manier maak ik Zijn naam groot door zo goed mogelijk te leven naar Zijn wil en hopelijk ben ik daardoor een voorbeeld voor anderen.
[1] Shemot 15:15
[2] Sifri, 296, geciteerd door Rashi, Devarim 25:18
[3] Rashi, Shemot, 18:6
[4] Shemot 18:11
[5] Zohar 2:69a
[6] Geciteerd in Sefer Cerem Ha Tzvi van Rav Tzvi Hirsch Farber, Nitzavim,geciteerd in Meory Tefilla van Rav Immanuel Bernstein blz. 207
Beshalach (Exodus 13: 17-17: 16)
door Rabbi Yehonasan Gefen
וּפַרְעֹ֖ה הִקְרִ֑יב וַיִּשְׂאוּ֩ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵ֨ל אֶת־עֵינֵיהֶ֜ם וְהִנֵּ֥ה מִצְרַ֣יִם ׀ נֹסֵ֣עַ אַחֲרֵיהֶ֗ם וַיִּֽירְאוּ֙ מְאֹ֔ד וַיִּצְעֲק֥וּ בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵ֖ל אֶל־יְהוָֽה׃
וַיֹּאמְרוּ֮ אֶל־מֹשֶׁה֒ הַֽמִבְּלִ֤י אֵין־קְבָרִים֙ בְּמִצְרַ֔יִם לְקַחְתָּ֖נוּ לָמ֣וּת בַּמִּדְבָּ֑ר מַה־זֹּאת֙ עָשִׂ֣יתָ לָּ֔נוּ לְהוֹצִיאָ֖נוּ מִמִּצְרָֽיִם׃
Far’o kwam dichterbij; de Kinderen van Jisraël sloegen de ogen op en zagen in één oogopslag de Egyptenaren achter zich aan komen. Toen werden de Kinderen van Jisraël ontzettend bevreesd en huilden tegen de Eeuwige. En ze zeiden tegen Moshé: “Is het soms bij gebrek aan graven in Egypte dat je ons meegenomen hebt om in de woestijn te sterven; wat heb je ons aangedaan, om ons uit Egypte te voeren? (Shemoth 14:10-11 Sefaria en Dasberg)
Rasji, 14:10, sv. En zij riepen: zij grepen naar het gebruik van hun vaderen; Met betrekking tot Abraham zegt het 'naar de plaats waar hij daar stond'; met betrekking tot Izaäk zegt het: 'spreken in het veld'; met betrekking tot Jacob, zegt het, 'en hij ontmoette op die plaats'.
De Tora vertelt ons dat toen het Joodse volk de angstaanjagende aanblik van het Egyptische leger zag naderen, ze het uitriepen tot God. Rasji legt uit dat ze het uitschreeuwden in de traditie van de aartsvaders, wat een prijzenswaardige daad lijkt omdat ze van hun grote voorvaderen de kracht van het gebed leerden. Echter, direct in het volgende vers wordt ons verteld dat ze tegen Moshe klaagden dat hij hen in de woestijn had gebracht om te sterven. Dit geeft aan dat ze helemaal niet op een hoog niveau handelden. Dit roept de vraag op hoe het ene vers schijnbaar hun grote gerechtigheid in gebed zou demonstreren, en het volgende vers zou dan gelijk hun ongerechtigheid benadrukken?![1]
De Maharal antwoordt door Rasji's uitleg te interpreteren dat ze het gebruik van hun voorvaderen begrepen, op een alternatieve manier vanuit het simpele begrip. Hij schrijft dat Rasji niet de bedoeling heeft het Joodse volk te prijzen voor het volgen van de wegen van de aartsvaders door te bidden. Ze baden niet met oprechte smeekbeden tot God op de manier waarop tzaddikiembaden. Rasji vertelt ons eerder dat ze baden omdat dat was wat hun voorouders deden; met andere woorden, ze baden uit gewoonte. Dus als de Tora ons vertelt dat ze het uitschreeuwden tot God, zegt dat niet dat ze een hoog niveau bereikten. Dienovereenkomstig is het gemakkelijk te begrijpen hoe ons in het volgende vers wordt verteld dat ze op een afkeurenswaardige manier handelden.[2]
Het antwoord van de Maharal onthult een nogal verontrustende waarheid over gebed. Het is maar al te gemakkelijk om uit gewoonte de vaste teksten van het gebed door te nemen - hoewel het jammer is, is het op zijn minst begrijpelijk dat het honderden keren lezen van hetzelfde identieke gebed ertoe kan leiden dat iemand soms uit het hoofd bidt. Aangezien dit vaste teksten zijn die de persoon die bidt niet zelf heeft gekozen, is het waarschijnlijk dat zijn gebed in gewoonte kan vervallen als hij de betekenis van wat hij zegt niet inziet.[3]
De Maharal verwijst echter naar een ander soort gebed; dat is het gebed dat ons in tijden van nood tot God doet wenden - dit zijn de tijden van gebed waarop mensen hun eigen gebeden in hun eigen woorden toevoegen, naast gebeden die iemand elk moment van de dag kan zeggen wanneer hij in nood is. We leren van de Maharal dat zelfs dit soort gebeden door gewoonte kunnen worden beïnvloed. Dit betekent dat iemand kan bidden in tijden van nood, alleen omdat hij daarmee is opgevoed en er geen innerlijke diepte in zijn woorden zit. Bovendien kan dit het geval zijn wanneer een persoon voortdurend dezelfde individuele gebeden aan zijn shemoneh esrei ( staande gebed/ achtiende gebed) toevoegt. Hoe kan men deze tekortkoming verhelpen? Een van de benaderingen is natuurlijk om werken te bestuderen die het belang van gebed als een manier om verbinding te maken uitwerken. Een tweede manier is dat een persoon niet in elk gebed dezelfde vaste persoonlijke gebeden bidt. Bijvoorbeeld, met betrekking tot het bidden voor zijn kinderen, stelde een Rav voor om elke dag voor een ander kind te bidden, zodat zijn gebeden niet versleten zouden worden.
We hebben de alomtegenwoordigheid gezien van de tekortkoming van bidden uit gewoonte, zelfs in tijden van oprechte nood; de eerste stap om op dit gebied te verbeteren, is na te denken over hoe we ons kunnen verbeteren - met dat oprechte verlangen zal God ons zeker helpen ons doel te bereiken.
Besef dat een vertaling altijd een vertaling is, daarom ook de verwijzing naar het origineel: The Guiding Light Parshat Beshalach: Praying Out of Habit (aish.com)
Opmerking van Angelique; wat leren wij hiervan?

We zijn dankbaar en blij met onze eigen sidoer. Degenen van ons die hem inmiddels regelmatig gebruiken voelen zich in hun gebed gesterkt door de doordachte woorden die de rabbijnen voor ons hebben opgeschreven. Echter ook voor ons geldt dat – ookal zijn we niet verplicht om uit de sidoer te bidden [ hoewel aanbevelenswaardig ] persoonlijk, oprecht en eerlijk gebed tot de Eeuwige te alle tijd belangrijk blijft.
( We are grateful and happy with our own siddur. Those of us who now use it regularly feel strengthened in their prayers by the thoughtful words the rabbis have written down for us. However, even for us - even though we are not obligated to pray from the siddur [though commendable] personal, sincere and honest prayer to the Eternal remains important at all times.)
[1] Zie Sichos Mussar, Maamer 'The Light and Darkness in Man' voor een benadering van deze vraag.
[2] .Gur Aryeh, Shemos, 14:10.
[3] Onnodig te zeggen dat dit gebied voortdurend moet worden verbeterd, door werken te lezen die de algemene betekenis van gebed en de specifieke betekenis van de vastgestelde gebeden bespreken.