Noachieden van de Lage Landen

Kli

Blog

Parasha van Rabbijn Sacks

Geplaatst op 29 februari, 2020 om 8:25

Wat ontvangen we als we geven.

“G-d sprak tot Mozes en zei: “Zeg tegen de Israëlieten een offer voor Mij te nemen; neem Mijn offer van allen wiens hart hen beweegt om te geven '(Ex. 25: 1-2).

Onze parasja markeert een keerpunt in de relatie tussen de Israëlieten en God. Op het eerst gezicht lijkt het om nieuw een product te gaan: het heiligdom, het reizende huis voor de goddelijke aanwezigheid terwijl de mensen door de wildernis reisden.

Maar we zouden er ook voor kunnen pleiten om te zeggen dat het meer om het proces gaat dan om het product. Dit alles wordt samengevat door het woord dat onze parasja zijn naam, Terumah, geeft. De betekenis van Terumah is, een geschenk, een bijdrage, een offer. De parasja vertelt ons iets heel diepzinnigs. Geven verleent waardigheid. Ontvangen niet.

Tot dat moment waren de Israëlieten ontvangers. Vrijwel alles wat ze hadden meegemaakt, was door God geschonken. Hij had hen uit Egypte verlost, hen van de slavernij bevrijd, hen door de wildernis geleid en een pad voor hen door de zee gemaakt. Toen ze honger hadden, gaf Hij hun voedsel. Toen ze dorst hadden, gaf Hij hen water. Afgezien van de strijd tegen de Amalekieten hadden ze bijna niets voor zichzelf gedaan.

Hoewel dit op elk fysiek niveau een ongeëvenaarde bevrijding was, waren de psychologische effecten niet goed. De Israëlieten werden afhankelijk, verwachtend, onverantwoordelijk en onvolwassen. De Thora beschrijft hun herhaalde klachten. Als we ze lezen, voelen we dat het ondankbare, vragende, pruilerige mensen waren.

Maar wat konden ze anders doen? Ze hadden niet alleen de zee kunnen oversteken. Ze hadden geen voedsel of water in de wildernis kunnen vinden. Maar dit alles leidde tot klagen. Het volk klaagde bij Mozes. Mozes wendde zich tot God. G-d verrichtte een wonder. Het resultaat was dat, vanuit het perspectief van de mensen, klagen werkte.

Nu gaf G-d hun echter iets geheel anders. Het had niets te maken met lichamelijke behoefte maar alles met psychologische, morele en spirituele behoefte. G-d gaf hen de gelegenheid om te geven.

Een van mijn vroege herinneringen, nog steeds oplichtend door de nevelen van vergeten tijd, gaat terug naar toen ik een kind van misschien zes of zeven jaar oud was. Ik was gezegend met zeer zorgzame en ook zeer beschermende ouders. Het leven had hen niet veel kansen gegeven, en ze waren vastbesloten dat wij, hun vier zonen, een deel van de kansen zouden krijgen die hun werden ontzegd. Mijn overleden vader, in gezegende herinnering, was enorm trots op mij, zijn eerstgeboren zoon.

Het leek mij erg belangrijk om hem mijn dankbaarheid te tonen. Maar wat zou ik hem mogelijk kunnen geven? Wat ik ook had, ik had het van mijn moeder en hem ontvangen. Het was een volledig asymmetrische relatie.

Uiteindelijk vond ik in een winkel een plastic model van een zilveren trofee. Daaronder stond een plaquette met de tekst: “Voor de beste vader ter wereld.” Vandaag, al die jaren later, krimp ik ineen bij de herinnering aan dat object. Het was goedkoop, banaal, bijna komisch absurd. Wat echter onvergetelijk was, was wat mijn vader deed nadat ik het hem had gegeven.

Ik kan me niet herinneren wat hij zei en zelfs niet of hij glimlachte. Wat ik me wel herinner, is dat hij het op zijn nachtkastje heeft geplaatst, waar het - nederig, goedaardig - bleef staan gedurende alle jaren dat ik thuis woonde.

Hij stond me toe hem iets te geven en toonde toen aan dat het geschenk ertoe deed. In die handeling gaf hij me waardigheid. Hij liet me zien dat ik zelfs kon geven aan iemand die me alles had gegeven wat ik had.

Tzedakah is niet alleen gericht op de fysieke behoeften van mensen, maar ook op hun psychologische situatie

Er is een vreemde bepaling in de Joodse wet die dit idee belichaamt. “Zelfs een arm persoon die afhankelijk is van tzedakah (liefdadigheid) is verplicht om tzedakah aan een andere persoon te geven.” 1 Op het eerste gezicht slaat dit helemaal nergens op. Waarom zou iemand die afhankelijk is van liefdadigheid zelf ook liefdadigheid moeten geven? Het principe van tzedakah is dat iemand die meer heeft dan hij nodig heeft, iemand moet geven die minder heeft dan hij nodig heeft. Per definitie heeft iemand die afhankelijk is van tzedakah niet meer dan hij nodig heeft.

De waarheid is echter dat tzedakah niet alleen gericht is op de fysieke behoeften van mensen, maar ook op hun psychologische situatie. Tzedakah nodig hebben en ontvangen is volgens een van de meest diepgaande inzichten van het jodendom inherent vernederend. Zoals we in Birkat ha-Mazon zeggen: “Alstublieft, HaShem onze G-d, maak ons ​​niet afhankelijk van de gaven of leningen van andere mensen, maar alleen aan Uw volle, open, heilige en genereuze hand, zodat we nooit of te nimmer beschaamd of vernederd zullen worden.”

Geven verleent waardigheid en niemand mag er van beroofd worden

Veel van de wetten van tzedakah weerspiegelen dit feit, zodat het de voorkeur verdient dat de gever niet weet aan wie hij geeft en de ontvanger niet weet van wie hij ontvangt. Volgens een beroemde uitspraak van Maimonides is het hoogste van alle niveaus van Tzedaka, “om een ​​mede-Jood te versterken en een geschenk, een lening te geven, een partnerschap met hem aan te gaan of werk voor hem te vinden, totdat hij sterk genoeg is en zodat hij anderen niet hoeft vragen [voor onderhoud]. ” 2 Dit is in de conventionele zin helemaal geen liefdadigheid. Het is voor iemand een baan vinden, hem helpen een bedrijf te starten. Waarom zou het dan de hoogste vorm van tzedaka zijn? Omdat het iemand zijn waardigheid teruggeeft.

Iemand die afhankelijk is van tzedakah heeft fysieke behoeften en deze moeten worden vervuld door andere mensen of door de gemeenschap als geheel. Maar ze hebben ook psychologische behoeften. Dat is de reden waarom de Joodse wet opdracht geeft dat ze aan anderen moeten geven. Geven verleent waardigheid en niemand mag er van beroofd worden.

Het hele verhaal over de bouw van de Mishkan, het Heiligdom, is inderdaad heel vreemd. Koning Salomo zei in zijn toespraak over de inwijding van de Tempel in Jeruzalem: “Maar zal God echt op aarde wonen? Zelfs de hemel tot hun uiterste reikwijdte kan U niet bevatten, hoeveel te minder dit Huis dat ik heb gebouwd! “ (1 Koningen 8:27). Als dat van toepassing was op de Tempel in al zijn glorie, hoeveel te meer op de Mishkan, een klein, draagbaar heiligdom gemaakt van balken en gordijnen die konden worden ontmanteld elke keer dat de mensen reisden en weer in elkaar gezet kon worden elke keer dat ze ergens verbleven. Hoe zou dat mogelijk een thuis kunnen zijn voor de G-d die het universum heeft geschapen, machtige rijken op hun knieën heeft gebracht, mirakels en wonderen heeft verricht en wiens aanwezigheid bijna ondraaglijk was in zijn intensiteit?

Maar toch, op zijn kleine maar menselijke manier, denk ik dat wat mijn vader deed toen hij al die jaren geleden mijn goedkope plastic geschenk bij zijn bed legde, misschien het meest genereuze was dat hij voor mij deed. En lehavdil, vergeef alsjeblieft de vergelijking, dit is ook wat God voor ons deed toen Hij de Israëlieten toestond Hem offers te brengen en ze vervolgens te gebruiken om een ​​soort huis voor de Goddelijke Aanwezigheid te maken. Het was een daad van immense als paradoxale vrijgevigheid.

Het vertelt ons ook iets zeer diepgaands over het Jodendom. G-d wil dat we waardigheid hebben. We zijn niet besmet door erfzonde. Het is niet onmogelijk om het goede te doen zonder goddelijke genade. Geloof is niet louter onderdanigheid. Wij zijn G-ds beeld, zijn kinderen, zijn ambassadeurs, zijn partners, zijn afgezanten. Hij wil dat we niet alleen ontvangen maar ook geven. En Hij is bereid om te wonen in het huis dat we voor Hem bouwen, hoe nederig, hoe klein ook.

Dit wordt gesuggereerd in het woord dat onze parasja zijn naam geeft: Terumah. Dit wordt meestal vertaald als een offer, een bijdrage. Het betekent eigenlijk iets dat we opheffen. De paradox van geven is dat wanneer we iets opheffen om het aan een ander te geven, wij het zelf zijn die worden opgeheven.

Ik geloof dat wat ons verheft in het leven niet is wat we ontvangen, maar wat we geven. Hoe meer van onszelf geven, hoe groter we worden.

 

 


Shabbat Shalom

Jonathan Sacks

 

 

1 Rambam, Mishneh Torah, Hilchot Mattenot Aniyim 7:5

2Ibid, 10:7

 

 

(Er is toestemming van het kantoor van rabbijn Sacks om de parashot in het Nederlands te vertalen voor de Nederlandse Noachidische gemeenschap. Mits erop gewezen wordt dat een vertaling altijd een vertaling is en met vermelding van de link naar het origineel, http://rabbisacks.org/wp-content/uploads/2020/02/CC-5780-What-Do-We-Receive-When-We-Give-Terumah-5780.pdf)

Categorieën: Geen

Plaats een reactie

Oeps!

Oops, you forgot something.

Oeps!

De woorden die je hebt ingetypt komen niet overeen met de opgegeven tekst. Probeer het nogmaals.

0 reacties