Noachieden van de Lage Landen

Kli

Blog

overzicht:  volledig / samenvatting

Doe eens lief

Geplaatst op 5 mei, 2020 om 2:45 Comments reacties (10)

doe eens lief

ANGELIQUE AILA BAT NOACH·ZONDAG 3 MEI 2020·

#doe eens lief

 

(let op dit is niet de parasja van volgende week. Dat is Emor, maar die had ik ivm de Omertelling al eerder gepost bij Pesach. De link die daarin stond voor de omertelling werkt niet meer voor deze week, maar er wordt verwezen naar de app MyOmer, deze kan ik iedereen van harte aanbevelen. Denk erom dat bnei Noach niet de bracha zeggen!)

Kedoshim - Wajikra (Leviticus) hoofdstuk 19-20

לֹֽא־תִשְׂנָ֥א אֶת־אָחִ֖יךָ בִּלְבָבֶ֑ךָ הוֹכֵ֤חַ תּוֹכִ֙יחַ֙ אֶת־עֲמִיתֶ֔ךָ וְלֹא־תִשָּׂ֥א עָלָ֖יו חֵֽטְא׃

You shall not hate your kinsfolk in your heart. Reprove your kinsman but incur no guilt because of him.

לֹֽא־תִקֹּ֤ם וְלֹֽא־תִטֹּר֙ אֶת־בְּנֵ֣י עַמֶּ֔ךָ וְאָֽהַבְתָּ֥ לְרֵעֲךָ֖ כָּמ֑וֹךָאֲנִ֖י יְהוָֽה׃

You shall not take vengeance or bear a grudge against your countrymen. Love your fellow as yourself: I am the LORD. 1

Je zult je broeder niet haten, in je hart; wijs de persoon die terechtwijzing nodig heeft terecht en draag niet een zonde door hem. Je zult niet wraakzuchtig zijn en je zult niet rancuneus zijn tegen de leden van je volk, je zult je makker/naaste liefhebben als jezelf – Ik ben de Eeuwige,

Je naaste liefhebben als jezelf of zoals Hillel zegt “wat haatvol is voor jou doe dat ook niet aan een ander” of zoals het Nederlandse spreekwoord het zegt: “wat gij niet wilt dat u geschied doe dat ook een ander niet.”

Niet haten… Ik weet niet hoe het andere vergaat maar ik kom soms mensen tegen die ik het liefste achter het behang plak. Mensen die je onheus bejegen, constant in je vaarwater zitten of waarvan je het gevoel hebt dat ze uit gewoonte “B” zeggen als jij “A” zegt. Om nu te zeggen dat ik die mensen “haat” is een erg groot woord maar het vers lijkt te zeggen dat ik die persoon ook nog moet liefhebben? Hoe kun je liefde afdwingen en hoezo als jezelf, wat nu als ik mezelf helemaal niet zo’n aardig persoon vind.

De tekst geeft handvaten hoe je om moet gaan met mensen die je liever ziet gaan dan komen. Emoties kun je niet uitschakelen maar negatieve emoties moet je niet in je hart laten. De boosheid, de ergernis, het gevoel van onrecht dat je wordt aangedaan moet je niet in je hart houden. Maar je moet naar de persoon toegaan en hem vertellen wat je op je hart hebt. Op het moment dat je naar de persoon toe wilt gaan kun je je realiseren dat er eigenlijk niet echt iets aan de hand is maar dat je overgevoelig reageert. Het kan zijn dat in het gesprek met de ander blijkt dat alles een misverstand was, probleem opgelost. Misschien heeft de persoon echt iets vervelends gedaan en geef je hem nu de mogelijkheid om sorry tegen je te zeggen en zijn gedrag aan te passen. Het kan zijn dat de persoon in kwestie zich bewust is van zijn gedrag maar dat het hem geen biet kan schelen. Dan kun je onderkennen dat die persoon niet je makker zal zijn heb je gedaan wat je moest doen…maar hoe zit het dan met die persoon…moet je die naaste ook liefhebben?

De Thora geeft een voorbeeld wat er kan gebeuren als je negatieve emoties in je hart laat.

De Rambam geeft het voorbeeld in de Bijbel van het incident met Amnon en Tamar. Nadat Amnon een vreselijke daad had begaan, vertelt de profeet ons dat Tamar's broer, Avshalom, een grote haat droeg voor zijn halfbroer, Amnon, en niet praat met hem over wat er überhaupt is gebeurd. De Ralbag schrijft dat als hij met Amnon had gesproken over wat er was gebeurd, de haat zou zijn verdwenen. In plaats daarvan groeide het alleen maar tot het punt dat Avshalom Amnon twee jaar later vermoord. Hoewel Amnon duidelijk een ernstige zonde had begaan en Avshalom schijnbaar het volste recht had om woedend op hem te zijn voor wat er was gebeurd, wordt hij niettemin op de proef gesteld omdat hij niet met Amnon praten en de haat met vreselijke gevolgen laten kweken.3

Wie zien uit dit voorbeeld hoe belangrijk het is om iemand terecht te wijzen omdat negatieve emoties altijd in je hart zullen blijven en zullen broeien en op een gegeven moment als een brandhaard zal ontbranden. Ze uiten zich in wraak – bewust iets negatief doen tegen iemand. Iemand mag bijvoorbeeld jouw auto niet lenen omdat jij zijn auto niet mocht lenen. Het kan zich ook uiten in rancuneus gedrag. Dan leen je je uiten wel uit maar met een sneer dat je dat toch maar mooi even doet terwijl de andere je nee verkocht heeft.

Voorbeeld van “haatvol” gedrag zijn zoals we hierboven zagen wraak en rancuneus gedrag hieronder volgen nog een paar voorbeelden:

· Breng anderen niet in verlegenheid.

· Roddel niet en praat niet negatief over anderen.

· Verstoor de concentratie of slaap van een ander niet.

· Geef mensen het voordeel van de twijfel.

· Laat anderen niet wachten.

· Toon geen woede jegens anderen.

· Bescherm anderen tegen letsel of verlies.

· Wees eerlijk in zakelijke transacties. 6

Het “liefhebben van je naaste” kan zich uiten in regelmatig iemand bezoeken, zorgen dat iemand eten/ kleding heeft e.d. Maar we in deze tekst dat het misschien nog wel meer te maken heeft met wat iemand psychisch nodig heeft voor zijn ziel. Dat je bijvoorbeeld iemand leert dat hij op zijn taalgebruik moet letten, dat iemand moet werken aan zijn temperament. Nog een stap verder is dat je iemand er op attent maakt wat hij spiritueel nodig heeft, dat iemand leert zich te houden aan de 7 mitsvot van Noach. Wijs er iemand bijvoorbeeld op dat als hij gebruiksvoorwerpen van het werk meeneemt naar huis dat dit eigenlijk diefstal is.4

Moeten we iedereen liefhebben? We moeten het in elkaar geval proberen. Wanneer de Thora ons leert/ gebied om onze naaste / onze vijanden lief te hebben geeft ze ons een realistisch programma hoe wat dat meestal kunnen bereiken: Door eerlijk tegen elkaar te zijn en dingen uit te praten.5 Andere voorbeelden van liefdevol gedrag naar je naaste toe zijn:

· Groet iedereen met een glimlach.

· Je woord houden.

· Help iemand die met een last worstelt.

· Nodig vrienden uit voor een Shabbat-diner.

· Vraag een ouderling om 'verstandig advies'.

· Bezoek patiënten in het plaatselijke ziekenhuis.

· Zorg vooral voor weduwen en wezen.

· Bel je moeder met dankbaarheid voor het geschenk van het leven.

· Wees voorzichtig met eigendommen van anderen.

· Bied de kruidenier een menselijk woord aan. ("Gaat het vandaag goed met je?")

· Sluit vrede tussen twee mensen die ruzie maken.

· Serveer maaltijden in een daklozenopvang.

· Verwijder verleidingen die anderen kunnen doen wankelen - b.v. maak het mensen niet gemakkelijk uw spullen te stelen.

· Bied constructieve kritiek.

· Blijf niet stilstaan wanneer het leven van een ander in gevaar is. 6

Als ik zo’n opsomming zie maakt dat voor mij dat het begrip “houden van mijn naaste” veel praktischer wordt. Houden van wordt dan wat behapbaardere brokken van “aardig zijn voor je naaste” gebroken. Het is het gedrag wat jezelf ook graag van een ander zou willen ontvangen. Dat is een manier waarop we het “lief hebben als jezelf” kunnen lezen. Ben je aardig voor iemand anders dan krijg je daar hopelijk positieve feedback op. Dit maakt dat je eigenwaarde groeit.

Je eigenwaarde, de liefde voor jezelf is heel belangrijk. Hoe groter dit wordt hoe beter je bovenstaande punten in praktijk kunt brengen. Pas wanneer je echt van jezelf houdt kun je die liefde naar buiten laten stromen.

Zo zijn er eigenlijk twee dingen waar je je dag mee zou kunnen beginnen als mitva.

De eerste is: Concentreer je op je eigen deugden. Geef jezelf een schouderklopje voor de goede eigenschappen die je hebt. Ben je een zorgzame vriend? Een harde werker? Ambitieus? Oprecht? Geniet van je sterke punten.7

De tweede is: Verkondig elke ochtend hardop: “ Ik accepteer dat ik me concentreer op de mitswa van' Heb je naaste lief als jezelf.”6

Het begin van deze parasja Kedoshim begint met grote woorden: Weest heilig, want Ik ben Heilig. De woorden kunnen ons afschrikken: “heilig ?”… dat lukt ons nooit! Maar hier 18 verzen verder schrikken ze ons niet meer af maar kunnen we ze zien als een uitdaging. De Eeuwige is Heilig, Hij haat ons mensen niet, Hij heeft ons mensen lief. Dit is de heiligheid die Hij van ons vraagt. Haat je naaste niet en heb je naaste lief. Deze opdracht mag heel klein begin: doe niet onaardig en wees een beetje aardig voor jezelf en ook voor de ander.

Gebruik gemaakt van de volgende bronnen:

1 Sefaria.com

2 Alephbeta : how can I achieve true love?.....het filmpje heb ik als uitgangspunt gebruikt.

3 Do Not Hate Your Brother In Your Heart Kedoshim (Leviticus 19-20) geschreven door Rabbi Yehonasan Gefenhttps://www.aish.com/tp/i/gl/149415675.html

4 Love Your Neighbor Kedoshim (Leviticus 19-20)geschreven door Rabbi Yehonasan Gefen

https://www.aish.com/tp/i/gl/202908711.html...de tekst niet letterlijk gebruikt maar als inspiratie gebruikt.

5 Of Love and Hate Kedoshim (Leviticus 19-20) geschreven door Rabbi Lord Jonathan Sacks

https://www.aish.com/tp/i/sacks/Of-Love-and-Hate.html

6 Middot Series #2 - Love Your Neighbor as Yourself Feb 6, 2016 geschreven door Rabbi Shraga Simmons

https://www.aish.com/sp/pg/1-Love-Your-Neighbor-as-Yourself.html

7 Way #32: Love Humanity geschreven door Rabbi Noah Weinberg https://www.aish.com/sp/48w/48951521.html

Je kleden om indruk te maken.

Geplaatst op 8 maart, 2020 om 11:15 Comments reacties (0)

Je kleden om indruk te maken

Tetzaveh, met zijn precieze beschrijving van de “heilige gewaden” die de priesters en de hogepriester droegen “voor glorie en voor prach”, lijkt in tegenspraak te zijn met enkele fundamentele waarden van het jodendom.

De gewaden zijn gemaakt om gezien te worden. Ze waren bedoeld om indruk op het oog te maken. Maar het jodendom is meer een religie van het oor dan het oog. Het legt de nadruk op horen in plaats van zien. Het sleutelwoord is Shema, wat betekent: horen, luisteren, begrijpen en gehoorzamen. Het werkwoord sh-m-ais een overheersend thema van het boek Devarim, waar het maar liefst 92 keer voorkomt. Joodse spiritualiteit gaat meer over luisteren dan kijken. Dat is de diepe reden waarom we onze ogen bedekken wanneer we Shema Yisraelzeggen. We sluiten de wereld van het zicht af en richten ons op de wereld van geluid: van woorden, communicatie en betekenis.

De reden dat dit zo is, heeft te maken met de strijd van de Thora tegen afgoderij. Anderen zagen goden in de zon, de sterren, de rivier, de zee, de regen, de storm, het dierenrijk en de aarde. Ze maakten visuele representaties van deze dingen. Jodendom verwerpt deze hele manier van denken.

God is niet in de natuur maar daarbuiten. Hij schiep het en Hij overstijgt het. Psalm 8 zegt: “Wanneer ik Uw hemel aanschouw, het werk van uw vingers, de maan en de sterren die U op zijn plaats hebt gezet: wat is de mens dat u aan hem denkt, de mensenzoon dat U om hem geeft?” De uitgestrekte ruimte is voor de psalmist niet meer dan “het werk van uw vingers”. De natuur is het werk van God, maar niet zelf God. God kan niet gezien worden.

In plaats daarvan openbaart Hij Zich hoofdzakelijk in woorden. Op de berg Sinaï zei Mozes: “De Heer heeft vanuit het vuur tot u gesproken. Je hoorde het geluid van woorden maar zag geen vorm; er was alleen een stem”(Deut. 4:12). Elia ontdekte tijdens zijn grote ervaring op de berg dat God niet in de wind, de aardbeving of het vuur was, maar in de kol demamah dakah, de “nog steeds zachte stem”.

Het is duidelijk dat de Mishkan (de Tabernakel) en later de Mikdash (de Tempel) hierop uitzonderingen vormden. Hun nadruk lag op het visuele en een belangrijk voorbeeld daarvan zijn de heilige gewaden van de priesters en hogepriester, bigdei kodesh.

Dit is zeer onverwacht. Het Hebreeuws voor “kledingstuk”, b-g-d, betekent ook “verraad”, zoals in de bekentenis die we op boete/berouwvolle dagen zeggen: Ashamnu bagadnu: “We zijn schuldig geweest, we hebben verraden.” In Genesis, wanneer een kledingstuk een belangrijk element in het verhaal is, houdt het enige misleiding of verraad in.

Zo waren er de bedekkingen van vijgenbladeren die Adam en Eva voor zichzelf hadden gemaakt na het eten van de verboden vrucht. Jacob droeg de kleren van Esau toen hij zijn zegen door bedrog overnam. Tamar droeg de kleren van een prostituee om Juda te misleiden om bij haar te liggen. De broers gebruikten de met bloed besmeurde mantel van Jozef om hun vader te misleiden door hem te laten denken dat hij was vermoord door een wild dier. Potifars vrouw gebruikte de mantel die Jozef had achtergelaten als bewijs voor haar valse bewering dat hij haar had geprobeerd te verkrachten. Jozef profiteerde zelf van zijn onderkoningskleding om zijn identiteit voor zijn broers te verbergen toen ze naar Egypte kwamen om voedsel te kopen. Het is dus uitzonderlijk ongebruikelijk dat de Thora zich nu op een positieve manier bezighoudt met kleren, kleding en gewaden.

Kleding heeft te maken met oppervlakte, niet met diepte; met het uiterlijke, niet het innerlijke; met uiterlijk in plaats van realiteit. Des te vreemder is het dus dat ze een belangrijk element van de dienst van de priesters zouden moeten vormen, gezien het feit dat “mensen naar de uiterlijke verschijning kijken, maar de Heer kijkt naar het hart ” (1 Sam. 16: 7).

Even vreemd is het feit dat we voor het eerst het concept van een tenue tegenkomen, dat wil zeggen een gestandaardiseerde vorm van kleding die niet wordt gedragen vanwege het individu dat ze draagt, maar vanwege de functie dat hij bekleedt, zoals Cohen of Cohen Gadol. In het algemeen richt het jodendom zich op de persoon, niet op de functie of ambt. Concreet bestond er niet zoiets als een tenue voor profeten.

Tetzaveh is ook de eerste keer dat we de uitdrukking “voor glorie en voor pracht” tegenkomen, die het effect en het punt van de kleding beschrijft. Tot nu toe is er alleen over kavod “glorie” gesproken in relatie met God. Nu moeten mensen een deel van dezelfde glorie delen.

Dit brengt ons naar de esthetische schoonheid van vakmanschap en het visuele

In onze parasja verschijnt ook het woord tiferet voor de eerste keer. Het woord heeft het gevoel van pracht en praal, maar het betekent ook schoonheid. Het introduceert een dimensie die we nog niet expliciet in de Thora zijn tegengekomen: de esthetiek (ethiek van de kunst). We zijn morele schoonheid tegengekomen, bijvoorbeeld Rebecca’s vriendelijkheid voor de bediende van Abraham bij de bron. We zijn fysieke schoonheid tegengekomen: Sara, Rebecca en Rachel worden allemaal als mooi beschreven. Maar het Heiligdom en zijn dienst brengen ons voor het eerst naar de esthetische schoonheid van vakmanschap en het visuele.

Dit is een continu thema met betrekking tot de Tabernakel en later de Tempel. We vinden het al in het verhaal van de binding van Izaäk op de berg Moria die later de plaats van de Tempel zou worden: “Abraham noemde de plaats ' God zal het zien '. Daarom wordt er vandaag gezegd:' Op Gods berg, Hij zal gezien worden '”(Gen. 22:14). De nadruk op het visuele is onmiskenbaar. De Tempel zou gaan over zien en gezien worden.

Evenzo spreekt een bekend poëtisch gebed over Jom Kipoer over Mareih Cohen, “het verschijnenvan de Hogepriester” zoals hij op de heiligste dagen in de Tempel functioneerde:

Zoals het beeld van een regenboog die midden in de wolk verschijnt ...

Zoals een roos in het hart van een prachtige tuin ...

Als een lamp flikkerend tussen de raamlatten ...

Als een kamer behangen met hemelsblauw en koninklijk paars ...

Als een tuinlelie die door de doorn doordringt ...

Zoals het uiterlijk van Orion en Pleiaden, gezien in het zuiden ...

Deze leidden tot het refrein: “Hoe gelukkig was het oog dat dit alles aanschouwde.” Waarom overheerste het visuele specifiek met betrekking tot de Tabernakel en de Tempel?

Het antwoord is ten diepste verbonden met het Gouden Kalf. Wat die zonde liet zien, is dat de mensen zich niet volledig konden verbinden met een God die hun geen permanent en zichtbaar teken van Zijn aanwezigheid gaf en met wie alleen door de grootste profeten kon worden gecommuniceerd. De Thora werd aan gewone mensen gegeven, niet aan engelen of unieke individuen zoals Mozes. Het is moeilijk te geloven in een God van overal-in het algemeen-maar-nergens-in het bijzonder. Het is moeilijk om een ​​relatie met God te onderhouden die alleen zichtbaar is in wonderen en unieke gebeurtenissen, maar niet in het dagelijks leven. Het is moeilijk om je met God te verbinden als Hij zich alleen als overweldigende kracht manifesteert.

Dus de Mishkanwerd het zichtbare teken van Gods voortdurende aanwezigheid te midden van de mensen. Degenen die daar dienden, deden dit niet vanwege hun persoonlijke grootheid, zoals Mozes, maar vanwege hun geboorte en ambt, gesignaleerd door hun gewaden. De Mishkan staat voor erkenning van het feit dat menselijke spiritualiteit over emoties gaat, niet alleen over intellect; het hart, niet alleen de geest. Vandaar esthetiek en het visuele als een manier om gevoelens van ontzag op te wekken. Dit is hoe Maimonides het in The Guide for the Perplexed zet:

Om de eerbied van de Tempel te verhogen, ontvingen degenen die daarin dienden grote eer; en de priesters en levieten werden daarom onderscheiden van de rest. Er werd bevolen dat de priesters naar behoren gekleed moesten worden met mooie en goede kleding, “heilige kleding voor glorie en voor pracht” (Ex. Xxviii. 2) ... DeTempel moest door iedereen in grote eerbied worden gehouden. (Guide, Book III, hoofdstuk 44)

De gewaden van de dienaren en het Heiligdom / de Tempel waren er voor om de glorie en pracht te geven die ontzag opwekte, en niet zoals Rainer Maria Rilke het in de Duino Elegies plaatste: “Want schoonheid is niets anders dan het begin van terreur, die we nog steeds net kunnen verdragen.” Het doel van de nadruk op de visuele elementen van de Mishkan, en de grootse gewaden van degenen die daar dienden, was een sfeer van eerbied te creëren omdat ze wezen op een schoonheid en pracht boven zichzelf, namelijk God Zelf.

Kunst en architectuur kunnen depressies opheffen en de zintuigen prikkelen

Maimonides begreep de emotionele kracht van het visuele. In zijn acht hoofdstukken, als inleiding op zijn commentaar op traktaat Avot, zegt hij: “De ziel moet rusten en doen wat de zintuigen ontspant, zoals kijken naar prachtige decoraties en objecten, zodat de vermoeidheid ervan wordt verwijderd.” Kunst en architectuur kunnen depressies opheffen en de zintuigen prikkelen.

Zijn focus op het visuele stelt Maimonides in staat om een ​​anders moeilijk te begrijpen wet uit te leggen, namelijk dat een Cohen met een fysieke smet niet in de Tempel mag dienen. Dit druist in tegen het algemene principe van Rachmana liba ba’i: “God wil het hart”, de innerlijke geest. De uitsluiting, zegt Maimonides, heeft niets te maken met de aard van gebed of Goddelijke dienstbetoon, maar eerder met populaire opvattingen. “De menigte beoordeelt de mens niet op basis van zijn ware vorm” maar in plaats daarvan schrijft en oordeelt hij naar uiterlijkheden. Dit kan verkeerd zijn maar het was een feit dat niet kon worden genegeerd in het Heiligdom, wiens hele doel was om de ervaring van God op aarde te brengen in een fysieke structuur met regelmatige routines uitgevoerd door gewone mensen. Het doel was om mensen de onzichtbare Goddelijke aanwezigheid in zichtbare fenomenen te laten voelen.

Zo is er een plaats voor esthetiek en het visuele in het leven van de geest. In de moderne tijd zag vooral Rabbijn Kook uit naar een vernieuwing van Joodse kunst in het herboren land van Israël. Hijzelf, zoals ik elders heb geschreven, hield van Rembrandts schilderijen en zei dat ze het licht van de eerste scheppingsdag vertegenwoordigden. Hij was ook een voorstander van de Bezalel Academy of Art, een van de eerste tekenen van deze vernieuwing.

Hiddur mitswa - schoonheid brengen om een bevel uit te voeren - gaat helemaal terug naar de Mishkan. Het grote verschil tussen het oude Israël en het oude Griekenland is dat de Grieken geloofden in de heiligheid van schoonheid, terwijl het jodendom sprak over hadrat Kodesh, de schoonheid van heiligheid.

Ik geloof dat schoonheid kracht heeft en in het jodendom heeft het altijd een spiritueel doel gehad: ons bewust maken van het universum als een kunstwerk dat getuigt van de allerhoogste Kunstenaar, God zelf.

Shabbat Shalom

Rabbijn Jonathan Sacks

(Er is toestemming van het kantoor van rabbijn Sacks om de parashot in het Nederlands te vertalen voor de Nederlandse Noachidische gemeenschap. Mits erop gewezen wordt dat een vertaling altijd een vertaling is en met vermelding van de link naar het origineel, https://rabbisacks.org/wp-content/uploads/2020/03/CC-5780-Dressing-to-Impress-Tetzaveh-5780.pdf )

Parasha van Rabbijn Sacks

Geplaatst op 29 februari, 2020 om 8:25 Comments reacties (0)

Wat ontvangen we als we geven.

“G-d sprak tot Mozes en zei: “Zeg tegen de Israëlieten een offer voor Mij te nemen; neem Mijn offer van allen wiens hart hen beweegt om te geven '(Ex. 25: 1-2).

Onze parasja markeert een keerpunt in de relatie tussen de Israëlieten en God. Op het eerst gezicht lijkt het om nieuw een product te gaan: het heiligdom, het reizende huis voor de goddelijke aanwezigheid terwijl de mensen door de wildernis reisden.

Maar we zouden er ook voor kunnen pleiten om te zeggen dat het meer om het proces gaat dan om het product. Dit alles wordt samengevat door het woord dat onze parasja zijn naam, Terumah, geeft. De betekenis van Terumah is, een geschenk, een bijdrage, een offer. De parasja vertelt ons iets heel diepzinnigs. Geven verleent waardigheid. Ontvangen niet.

Tot dat moment waren de Israëlieten ontvangers. Vrijwel alles wat ze hadden meegemaakt, was door God geschonken. Hij had hen uit Egypte verlost, hen van de slavernij bevrijd, hen door de wildernis geleid en een pad voor hen door de zee gemaakt. Toen ze honger hadden, gaf Hij hun voedsel. Toen ze dorst hadden, gaf Hij hen water. Afgezien van de strijd tegen de Amalekieten hadden ze bijna niets voor zichzelf gedaan.

Hoewel dit op elk fysiek niveau een ongeëvenaarde bevrijding was, waren de psychologische effecten niet goed. De Israëlieten werden afhankelijk, verwachtend, onverantwoordelijk en onvolwassen. De Thora beschrijft hun herhaalde klachten. Als we ze lezen, voelen we dat het ondankbare, vragende, pruilerige mensen waren.

Maar wat konden ze anders doen? Ze hadden niet alleen de zee kunnen oversteken. Ze hadden geen voedsel of water in de wildernis kunnen vinden. Maar dit alles leidde tot klagen. Het volk klaagde bij Mozes. Mozes wendde zich tot God. G-d verrichtte een wonder. Het resultaat was dat, vanuit het perspectief van de mensen, klagen werkte.

Nu gaf G-d hun echter iets geheel anders. Het had niets te maken met lichamelijke behoefte maar alles met psychologische, morele en spirituele behoefte. G-d gaf hen de gelegenheid om te geven.

Een van mijn vroege herinneringen, nog steeds oplichtend door de nevelen van vergeten tijd, gaat terug naar toen ik een kind van misschien zes of zeven jaar oud was. Ik was gezegend met zeer zorgzame en ook zeer beschermende ouders. Het leven had hen niet veel kansen gegeven, en ze waren vastbesloten dat wij, hun vier zonen, een deel van de kansen zouden krijgen die hun werden ontzegd. Mijn overleden vader, in gezegende herinnering, was enorm trots op mij, zijn eerstgeboren zoon.

Het leek mij erg belangrijk om hem mijn dankbaarheid te tonen. Maar wat zou ik hem mogelijk kunnen geven? Wat ik ook had, ik had het van mijn moeder en hem ontvangen. Het was een volledig asymmetrische relatie.

Uiteindelijk vond ik in een winkel een plastic model van een zilveren trofee. Daaronder stond een plaquette met de tekst: “Voor de beste vader ter wereld.” Vandaag, al die jaren later, krimp ik ineen bij de herinnering aan dat object. Het was goedkoop, banaal, bijna komisch absurd. Wat echter onvergetelijk was, was wat mijn vader deed nadat ik het hem had gegeven.

Ik kan me niet herinneren wat hij zei en zelfs niet of hij glimlachte. Wat ik me wel herinner, is dat hij het op zijn nachtkastje heeft geplaatst, waar het - nederig, goedaardig - bleef staan gedurende alle jaren dat ik thuis woonde.

Hij stond me toe hem iets te geven en toonde toen aan dat het geschenk ertoe deed. In die handeling gaf hij me waardigheid. Hij liet me zien dat ik zelfs kon geven aan iemand die me alles had gegeven wat ik had.

Tzedakah is niet alleen gericht op de fysieke behoeften van mensen, maar ook op hun psychologische situatie

Er is een vreemde bepaling in de Joodse wet die dit idee belichaamt. “Zelfs een arm persoon die afhankelijk is van tzedakah (liefdadigheid) is verplicht om tzedakah aan een andere persoon te geven.” 1 Op het eerste gezicht slaat dit helemaal nergens op. Waarom zou iemand die afhankelijk is van liefdadigheid zelf ook liefdadigheid moeten geven? Het principe van tzedakah is dat iemand die meer heeft dan hij nodig heeft, iemand moet geven die minder heeft dan hij nodig heeft. Per definitie heeft iemand die afhankelijk is van tzedakah niet meer dan hij nodig heeft.

De waarheid is echter dat tzedakah niet alleen gericht is op de fysieke behoeften van mensen, maar ook op hun psychologische situatie. Tzedakah nodig hebben en ontvangen is volgens een van de meest diepgaande inzichten van het jodendom inherent vernederend. Zoals we in Birkat ha-Mazon zeggen: “Alstublieft, HaShem onze G-d, maak ons ​​niet afhankelijk van de gaven of leningen van andere mensen, maar alleen aan Uw volle, open, heilige en genereuze hand, zodat we nooit of te nimmer beschaamd of vernederd zullen worden.”

Geven verleent waardigheid en niemand mag er van beroofd worden

Veel van de wetten van tzedakah weerspiegelen dit feit, zodat het de voorkeur verdient dat de gever niet weet aan wie hij geeft en de ontvanger niet weet van wie hij ontvangt. Volgens een beroemde uitspraak van Maimonides is het hoogste van alle niveaus van Tzedaka, “om een ​​mede-Jood te versterken en een geschenk, een lening te geven, een partnerschap met hem aan te gaan of werk voor hem te vinden, totdat hij sterk genoeg is en zodat hij anderen niet hoeft vragen [voor onderhoud]. ” 2 Dit is in de conventionele zin helemaal geen liefdadigheid. Het is voor iemand een baan vinden, hem helpen een bedrijf te starten. Waarom zou het dan de hoogste vorm van tzedaka zijn? Omdat het iemand zijn waardigheid teruggeeft.

Iemand die afhankelijk is van tzedakah heeft fysieke behoeften en deze moeten worden vervuld door andere mensen of door de gemeenschap als geheel. Maar ze hebben ook psychologische behoeften. Dat is de reden waarom de Joodse wet opdracht geeft dat ze aan anderen moeten geven. Geven verleent waardigheid en niemand mag er van beroofd worden.

Het hele verhaal over de bouw van de Mishkan, het Heiligdom, is inderdaad heel vreemd. Koning Salomo zei in zijn toespraak over de inwijding van de Tempel in Jeruzalem: “Maar zal God echt op aarde wonen? Zelfs de hemel tot hun uiterste reikwijdte kan U niet bevatten, hoeveel te minder dit Huis dat ik heb gebouwd! “ (1 Koningen 8:27). Als dat van toepassing was op de Tempel in al zijn glorie, hoeveel te meer op de Mishkan, een klein, draagbaar heiligdom gemaakt van balken en gordijnen die konden worden ontmanteld elke keer dat de mensen reisden en weer in elkaar gezet kon worden elke keer dat ze ergens verbleven. Hoe zou dat mogelijk een thuis kunnen zijn voor de G-d die het universum heeft geschapen, machtige rijken op hun knieën heeft gebracht, mirakels en wonderen heeft verricht en wiens aanwezigheid bijna ondraaglijk was in zijn intensiteit?

Maar toch, op zijn kleine maar menselijke manier, denk ik dat wat mijn vader deed toen hij al die jaren geleden mijn goedkope plastic geschenk bij zijn bed legde, misschien het meest genereuze was dat hij voor mij deed. En lehavdil, vergeef alsjeblieft de vergelijking, dit is ook wat God voor ons deed toen Hij de Israëlieten toestond Hem offers te brengen en ze vervolgens te gebruiken om een ​​soort huis voor de Goddelijke Aanwezigheid te maken. Het was een daad van immense als paradoxale vrijgevigheid.

Het vertelt ons ook iets zeer diepgaands over het Jodendom. G-d wil dat we waardigheid hebben. We zijn niet besmet door erfzonde. Het is niet onmogelijk om het goede te doen zonder goddelijke genade. Geloof is niet louter onderdanigheid. Wij zijn G-ds beeld, zijn kinderen, zijn ambassadeurs, zijn partners, zijn afgezanten. Hij wil dat we niet alleen ontvangen maar ook geven. En Hij is bereid om te wonen in het huis dat we voor Hem bouwen, hoe nederig, hoe klein ook.

Dit wordt gesuggereerd in het woord dat onze parasja zijn naam geeft: Terumah. Dit wordt meestal vertaald als een offer, een bijdrage. Het betekent eigenlijk iets dat we opheffen. De paradox van geven is dat wanneer we iets opheffen om het aan een ander te geven, wij het zelf zijn die worden opgeheven.

Ik geloof dat wat ons verheft in het leven niet is wat we ontvangen, maar wat we geven. Hoe meer van onszelf geven, hoe groter we worden.

 

 


Shabbat Shalom

Jonathan Sacks

 

 

1 Rambam, Mishneh Torah, Hilchot Mattenot Aniyim 7:5

2Ibid, 10:7

 

 

(Er is toestemming van het kantoor van rabbijn Sacks om de parashot in het Nederlands te vertalen voor de Nederlandse Noachidische gemeenschap. Mits erop gewezen wordt dat een vertaling altijd een vertaling is en met vermelding van de link naar het origineel, http://rabbisacks.org/wp-content/uploads/2020/02/CC-5780-What-Do-We-Receive-When-We-Give-Terumah-5780.pdf)

Recycling of the saints

Geplaatst op 15 augustus, 2018 om 14:25 Comments reacties (1)

Beng! "Recycling of the Saints!"

 

Opeens staarde deze krachtpatser van een slogan mij met grote en heldere ogen aan. Als spirituele nomade bij uitstek zie ik in de loop der jaren de snelle evolutie van de religieuze medemens. De dogmatiek in de kerken is op een paar statige bolwerken na al lang geëvolueerd tot een oecumenisch aanvaardbaar maar o zo saaie hutspot die we nu eigenlijk alleen maar kunnen typeren als het algemeen betwijfeld symbolisch geloof.

 

Het plateau van de kerk is een toneelstuk geworden. De poppetjes zijn hetzelfde maar het jasje veranderd van kleur. Recycling of the Saints: ik zie ze voorbij trekken, een eindeloze stoet. Pausen en monniken, kruisvaarders, Calvinisten, high-end oecumene, evangelicals, mormonen, en wie herinnerd zich nog de bijeenkomsten van G'ds underground pleasure, de voorloper van alle Doorbrekers.

 

De wortels van de monotheïstische geloofsrichtingen baseren zich in hun beginfase op het Judaisme. Iedere stroming heeft er in de loop der eeuwen van geplukt en er een nieuwe religie uit geperst. Honderden variaties zijn het gevolg. Geen wonder dat er zoveel verwarring en controverse is. Toch ben ik niet negatief, want zoeken is prachtig, zoeken is nodig, het is een avontuur van de ziel zelf.

 

Zelf ben ik gestopt met spiritueel recyclen. Terug naar de bron, naar het begin. Ontmaskering. Het voelt een beetje kaal. Maar gelukkig is er dan wel die herkenning in de eenvoud van de Noachidische levensfilosofie die zich baseert op de universele wijsheid van de Torah. Deze visie is op moreel en spiritueel vlak authentiek, voedend en verfrissend. Ook op het gebied van milieu en bescherming van mens en dier. En soms is deze visie ouderwets, dat moet ik ronduit toegeven. Hoewel.... ik ben niet de enige die de Nieuwe preutsheid omarmt. Heerlijk die lange rokken en bye-bye laag decolleté.

 


 

 

 

 

Nooit kwaadspreken, nooit roddelen

Geplaatst op 10 augustus, 2018 om 19:15 Comments reacties (0)

Het verbod op Lasjon Hara (kwaadspreken)

De Talmoed vertelt dat de tong een zo gevaarlijk instru­ment is, dat hij achter twee bescher­mende muren (de lippen en de tanden) verborgen moet blijven, zodat wij hem niet kunnen zien, om misbruik te voorkomen.

De schade die ontstaat door praten is erger dan de schade die ontstaat door stelen of oplichten, want dat zijn financiële schades, die te compenseren zijn, maar schade die door woorden is gemaakt, valt nimmer te repareren. Daarom zeggen sommige bronnen dat er geen vergiffenis bestaat voor lasjon ha-ra [kwaad­spreken]. Een Chassidisch verhaal illustreert dit: Een man vertelde eens in zijn dorp roddelverhalen over de plaatselijke Rabbijn. Later realiseerde hij zich wat hij verkeerd gedaan had en hij kreeg spijt. Hij ging naar de rabbijn en vroeg om vergiffenis, en hij verklaarde dat hij bereid was om alles te doen om het weer goed te maken. „Neem een zak met graan", sprak de Rabbijn, „en strooi dat uit in de wind, en kom over een week weer bij mij terug." De man vond dat een vreemd antwoord, maar omdat het makkelijk was uit te voeren, deed hij dat. Na een week kwam hij terug bij de Rabbijn, om te vertellen wat hij gedaan had en om te vragen wat hij nu verder nog moest doen. „Ga nu al die graankorrels verzamelen," zei de Rabbijn. „Maar hoe kan dat nou," reageerde de man verbaasd, „die zaden zijn alle kanten op gewaaid en sommige zijn al in de grond terecht gekomen en hebben daar misschien al wortel geschoten." „Precies," zei de Rabbi, „zo is het ook met je geroddel. Al je woorden zijn verspreid in de wind en sommige hebben wortel geschoten, en die kun je net zo min ongedaan maken als je die graankorrels niet meer kunt verzamelen.De schade die je veroorzaakt heb is niet meer te herstellen"

Spraak is als een afgeschoten pijl. Als hij eenmaal is losgelaten, keert hij nimmer meer terug. De schade die is aangericht door kwaadspreken, is onvoorspelbaar en onherstelbaar.

Roddel

Er zijn twee mitswot in Tora die gaan over onbehoorlijk spreken: „Je zult niet rondgaan onder je volk als een roddelaar" (Lev. 19:16), en „Je zult een ander geen kwaad doen" (Lev. 25:17), hetgeen traditioneel wordt opgevat als iemand kwaad doen, door over hem te praten.

Roddel is in feite alles wat we over iemand anders vertellen. Het Hebreeuwse woord voor roddel is rachiloet, dat is afgeleid van een woord (RaCHaL) dat leuren of venten betekent. Het idee daarachter is, dat een roddelaar vergelijbaar is met een koopman. Zijn koopwaar is zijn roddelverhalen. Hij handelt in infor­matie, in plaats van in goederen. Wij leven in het „Informatie-tijdperk", waar het product „informatie" dagelijks in de media ge- en misbruikt wordt. Maar we zien dat het niets nieuws is en dat het al in Tora genoemd wordt.

Men overtreedt deze mitswa als men over een ander persoon praat, zelfs al is het waar, zelfs al is het niet negatief, zelfs al is het niet geheim, zelfs al schaadt het niemand, zelfs al zou de persoon waarover het gaat, het misschien desgevraagd ook verteld hebben, dan nog is het roddel en verboden! Er wordt gezegd dat roddelen tot bloedvergieten kan komen. Daarom zijn de volgende woorden van Tora: „Je zult niet stil zijn als het bloed van je naaste vergoten wordt."

Degene die luistert naar roddel is nog erger dan degene die het vertelt, want men kan met roddel geen kwaad doen als er niemand naar luistert. Daarom wordt er gezegd dat lasjon ha-ra drie mensen doodt, degene die het spreekt, degene die er naar luistert en degene over wie het gaat.

Volgens de Joodse wet wordt alles als geheim beschouwd, tenzij iemand expliciet zegt dat het geopen­baard mag worden. Daarom zul je kunnen opmerken dat in Tora G-d steeds tegen Mosjé zegt: „Spreek tegen de Israëlieten en zeg hen…": Als G-d dat niet expliciet tegen Mosjé gezegd had, zou het Mosjé verboden zijn de woorden van G-d te herhalen. Er bestaat geen tijdslimiet op geheimen. De Tal­moed vertelt van een Tora-student die een geheim na 22 jaar onthult, en die daarop onmiddellijk uit het leerhuis werd verbannen.

De ernstigste van deze roddelverhalen is lasjon ha-ra [letterlijk: de kwade tong]. Dit is iemand in diskre­diet brengen door negatieve dingen over hem te vertellen, zelfs al zijn deze negatieve dingen waar. De Talmoed vergelijkt dit met de drie ernstigste misdaden die een mens kan begaan: moord, afgoderij en incest. Wanneer men voor de keuze staat om een van deze drie misdaden te begaan of om zijn eigen leven op te geven (de Hemel beware ons daarvoor), dat moet men zijn eigen leven daarvoor opofferen. De Tal­moed zegt dat lasjon ha-ra even erg is als alle drie deze misdaden samen, want het kan een van de drie, of zelfs alledrie deze misdaden ten gevolge hebben.

Het is verboden om zelfs maar iets negatiefs over iemand te suggereren. Het is ook verboden om voor de grap iets negatiefs over iemand te zeggen. Het wordt ook als een „schaduw" van lasjon ha-ra beschouwd, als men iets positiefs over iemand vertelt, in aanwezigheid van zijn vijand (of iemand die een hekel aanhem heeft), want dat zal zijn vijand aan­spo­ren om iets negatiefs te antwoorden over die persoon, om je tegen te spreken. Daarom moet men ook geen positieve dingen over iemand vertellen, want toehoorders zijn altijd geneigd daar iets negatiefs tege­nover te stellen. Men hoort nu eenmaal liever negatieve kritiek over iemand anders, dan iets positiefs.!

Iemand die lastertaal over iemand spreekt, spreekt motsei sjeem ra. Dat doet men als men valse negatieve verhalen over iemand vertelt. Dit wordt beschouwd als het laagste van het laagste.

Het wordt in het algemeen niet als een zonde beschouwd om iets te herhalen dat in het bijzijn van drie personen verteld werd door de betrokkene zelf. Want dan heeft hij het zelf reeds „openbaar" gemaakt. Maar dit geldt niet als in aanwezigheid van drie personen over iemand anders geroddeld wordt. Dan mag men het zeker niet verder vertellen. En ook als men het van de betrokkene zelf in aanwezigheid van drie personen gehoord heeft, moet men het niet verder vertellen, wanneer duidelijk is, dat het roddelverhaal daarmee verder verspreid wordt.

Wanneer is het toegestaan over iemand anders te praten?

Er zijn een paar omstandigheden die een uitzondering vormen, waarbij het niet alleen is toegestaan om iets negatiefs over een ander te vertellen, maar waar het zelfs gewenst of zelfs vereist is. Dit geldt in de eerste plaats voor een Joodse rechtbank (een Beit Din), want het is een mitswa om te getuigen en die mitswa schuift het verbod op lasjon ha-ra opzij. Dus men is voor een Beit Din verplicht dingen te onthul­len over iemand, zelfs wanneer men die in strikt vertrouwen heeft gehoord, zelfs wanneer dat de persoon in kwestie zal schaden. Dit alles uitsluitend wanneer de rechters van het Beit Din daarom vragen.

Men is ook verplicht informatie te onthullen als men daarmee iemand kan beschermen tegen onmiddel­lijke en ernstige schade. Bijvoorbeeld, wanneer men hoort dat iemand van plan is een ander te vermoor­den, dan is hij verplicht dat te melden. Hier schuift het gebod: „Je zult niet ijdel ter zijde blijven staan als het bloed van je naaste verspild wordt," het verbod op Lasjon ha-ra terzijde.

Onder bepaalde omstandigheden is het ook toegestaan negatieve informatie over iemand te onthullen, wanneer duidelijk is dat iemand anders met deze persoon een relatie zal aangaan, die hem schade zal veroorzaken en die met deze informatie kan worden voorkomen. Bijvoorbeeld mag men aan iemand vertellen dat een potentiële bedrijfspartner onbetrouwbaar is. Maar wanneer men hem van de relatie kan afhouden, zonder de negatieve informatie te onthullen, heeft dat de voorkeur.

Iemand met woorden schaden

Leviticus 25:17 zegt: „Je zult iemand geen nadeel berokkenen." Dit wordt traditioneel opgevat dat men iemand niet met woorden mag schaden. Het houdt teven iedere uitlating in die beschamend, beledigend of deni­grerend is voor iemand anders, of die iemand emotionele pijn veroortzaakt.

Voor verdere bestudering van de wetten van Lasjon Hara

http://torah.org/learning/halashon/

Kleine ziel

Geplaatst op 2 juli, 2018 om 11:35 Comments reacties (0)

Is mijn lichaam en geest alles was ik ben, of is er een essentie in de mens die daar doorheen schijnt, mijn lichaam als het ware "beleeft en voedt"?

 

Ik leen even een prachtige definitie van Shimon Cowen uit Australie uit zijn boek "The theory of practice of universal ethics": de ziel is een spirituele entiteit die een afspiegeling is van de Goddelijke kwaliteiten. En die kwaliteiten zijn oa: het hebben en uitoefenen van een wil en wens, het vermogen tot keuzes maken, gerechtigheid en barmhartigheid, altruïsme. Hoe de mens met deze innerlijke kwaliteiten omgaat, ja, dat is de uitdaging!

 

In de loop der tijden hebben wij als mensheid allerlei omwegen gemaakt om deze essentie, die wezenlijk gevoed wordt door de Allerhoogste Zelf, te omzeilen, te corrumperen of te vermengen met concepten waar alleen kerkelijke of politieke structuren profijt van hadden.

 

Wanneer ik weet dat iedere daad, ieder woord, ieder gebaar wat ik maak er werkelijk toe doet dan ga ik anders met die zielskwaliteiten om. Als ik bewust wordt dat mijn kleine ziel gevoed en aangevoeld wordt door haar grote oorsprong, de Schepper van al wat bestaat, dan sta ik op de grond van eenheid, van non-dualisme van het grote Ja tegen het leven. Vreugde in verbinding met verantwoordelijkheid. Zingeving betekent dan in dit perspectief of ons leven echt een verschil maakt, of ons leven van positieve betekenis is voor anderen.

Door: Anne Marie Laseur


 

 

Bitachon (vertrouwen).

Geplaatst op 1 april, 2018 om 17:05 Comments reacties (0)

What does it mean to have full “bitachon” (trust) in God?

 

… Bitachon/trust is not merely the faith that God has the potential to bestow good [upon a person] and save him from adversity. Instead, [it implies that] the person trusts that God will actually do this. And his trust is so absolute that he is serene and does not worry at all. As [the book] Chovos HaLevavos [Duties of the Heart] states:[1] “The essence of bitachon/trust is the serenity of the person who trusts. His heart relies on the One Whom he trusts that He will do what is best and most befitting with regard to the matter he trusts in Him.”

 

Explanation is required: What is the foundation for this absolute certainty? Even when there is an explicit promise from God, it is possible that the promise will not be fulfilled because “sin will have an effect.” Certainly, this applies when there is no such promise. [Moreover,] the possibility that “sin will have an effect” is relevant to each of us (“for there is man so [wholly] righteous on earth that he always does good and never sins.”)[2] If even Jacob had this fear [see Genesis 32:8, and Rashi’s explanation there], certainly, it applies to others.[3]

 

On the surface, one might offer the following explanation: The concept of bitachon/trust is based on the faith that everything comes from God, blessed be He. Thus, when a person is found in distress and difficulty, it is not because [the material factor] causing the distress has, Heaven forbid, [independent] control in any manner whatsoever. Instead, everything comes from Above.

 

Therefore the person is absolutely serene. Either way, [he has no reason to worry]. For if it is not appropriate that any evil be visited upon him, certainly God will save him from it. {This is true even when there is no way, according to the natural order, that the person will be saved. For there is no one who can dictate to God, and He has the potential to change the natural order.}

 

And if the person is not worthy of God’s kindness (but instead is worthy of receiving a punishment), he should still be utterly serene. For he knows that his difficulty is not a result of any [material] entity, but rather stems from God alone. It has come about because he did not fulfill his responsibilities to his Creator; his [neglect of his obligations] brought about the difficulty. Therefore he fears God alone. {Moreover, he realizes that the difficulty is for his own good. For the punishments ordained by the Torah [including difficulties in this physical world] are expressions of God’s kindness, cleansing a person from the blemish of sin. Thus there is no place for worry or fear.}

 

Accordingly, there is no contradiction. A person may have absolute bitachon/trust in God even though he knows that sin may have an effect and he will not be saved from the difficulty. This does not disturb his serenity, for he knows that everything that happens to him comes from God. …

 

This explanation is, however, insufficient. For it is clearly apparent that the fundamental element of bitachon/trust is not merely serenity and peace of mind [that comes from the knowledge that everything is ordained by the hand of God]. Instead, [the desired intent is] that the person who has bitachon/trust in God will receive manifest and overt good,[4] i.e., that God will deliver him from his difficulties.

 

According to the above explanation, it appears that this simple meaning of bitachon/trust is beyond the reach of the majority … (For “there is no man so wholly righteous one earth that he [always] does good and never sins,” and who can justifiably declare that he is worthy of having God’s kindness manifest upon him?) [It would appear that] the concept of bitachon/trust is primarily [reflected in the conviction] that even when a person does not merit God’s kindness, he has peace of mind because [he realizes that] everything comes from God. (Moreover, everything is for his own good; it is just not [always] manifest and apparent good.) {It is only perfectly righteous people, whose Divine service has reached consummate perfection and who therefore do not have to worry about sin having an effect, who can trust that they will receive manifest and apparent good.[5]}

 

[Such an approach, however, contradicts the statements of Duties of the Heart [6] (in the explanation of “the reasons why bitachon/trust is possible”) that “there is One Who can be trusted because of His ultimate generosity and kindness which is extended to a person who is worthy and also to one who is not worthy. His generosity will continue and His kindness will be extended without cessation or end.” [According to this view,] the concept of bitachon/trust is based on the principle that God will bestow kindness on a person who is not worthy as well.

 

Explanation is therefore required: [True,] God’s mercies are extended also to persons who are not worthy. Nevertheless, isn’t it possible that a person will receive punishment for his undesirable acts?[7] What is the [conceptual] foundation for a person’s trust that God will act generously to him although he is not worthy?

 

The above questions can be resolved by first explaining an adage of the [third Lubavitcher Rebbe, known as the] Tzemach Tzedek (quoted frequently by my revered father-in-law, the [Previous] Rebbe)[8] who gave this reply [in Yiddish] after someone begged him to plead for Divine mercies on behalf of a person who was dangerously ill: [9] “Tracht gut, vet zain gut” (“Think positively, and the outcome will be good”). It is apparent from the Tzemach Tzedek’s words that thinking positively (having bitachon/trust [in God]) will bring about a good outcome (in revealed and manifest good).

 

It appears that the intent can be explained as follows: The obligation of bitachon/trust … is not merely a particular element (and a natural corollary) of the faith that everything is in God’s hands and that God is generous and merciful. For there is no need for a distinct obligation for such belief. Instead, the obligation of bitachon/trust is a separate thrust in Divine service. Its definition is that a person will rely and depend on God alone to the extent that he casts his lot entirely upon Him, as it is written:[10] “Cast your burden upon God,” i.e., the person has no other dependency in the world except upon God. … {Even if according to the natural order it is impossible for a person to be saved, he relies on God Who is not bound by nature at all, Heaven forbid.}

 

This itself is the foundation for a person’s trust that God will bestow apparent and manifest good upon him, even if he is not worthy of this kindness. For the definition of trust is not that because the kindness of God is totally unlimited and can be extended to a person whether he is worthy or not, he will, therefore, receive God’s kindness without any effort on his own part. (Were this to be true, the entire concept of reward and punishment would thus be nullified.) Instead, bitachon/trust involves work and labor within one’s soul. And this effort and labor in developing bitachon/trust in God evokes God’s kindness.

 

When a person truly trusts in God alone from the depths of his soul, to the extent that he has no worry at all, his arousal [of trust] itself causes God to conduct Himself with him in an appropriate manner, granting him kindness (even when, [on his own accord,] without taking this trust into account, he is not worthy of such kindness).[11]

 

This is the intent of the command[12] to trust in God: that a person should “cast his burden on God,” [relying on Him] to grant him manifest and apparent good. Since he trusts God alone (without making calculations as to whether or not it is possible for him to be saved [according to the natural order]), this causes a corresponding approach[13] toward him in the spiritual realms. God protects him and showers mercy upon him even when, were one to make a reckoning, he would not be worthy, and He enables him to appreciate manifest and apparent good.[14]

 

This is the intent of the adage of the Tzemach Tzedek [cited above] that [the person's] bitachon/trust itself will lead to positive results. This is not a supplementary element of our bitachon/trust [in God]. … [Rather] bitachon/trust itself will lead to and bring about God’s salvation. The opposite is also true. When a person is not saved from distress, the reason is that his bitachon/trust is [or was] lacking.[15] …

 

This leads to a directive applicable to our actual conduct. When a person encounters obstacles and encumbrances in his observance of the Torah and [his] mitzvos [commandments], he should realize that the elimination of these obstacles is dependent upon him and his conduct. If he has absolute faith in God, that God will help him so that the situation will be good until he is utterly serene without any worry at all, [his bitachon/trust will bear fruit]. (Needless to say, he must also do whatever he can in a natural way to remove these obstacles,[16] [but it is his bitachon/trust that will shift the flow of the paradigm].) [He will see the realization of] the promise: “Think positively and the outcome will be good.” This will become manifest. All of the obstacles and encumbrances will be eliminated, and he will enjoy actual good that is apparent and manifest to all

From Noahide Academy of Jerusalem.

From a talk by the Rebbe, Rabbi Menachem M. Schneerson. Presented with permission from the publisher, Sichos In English.* Translated from Likkutei Sichos, Vol. XXXVI, p. 1-6.

 

 


Teshuva, berouw en terugkeer

Geplaatst op 19 maart, 2018 om 11:40 Comments reacties (0)

TESHUVA (terugkeer/berouw/vergeving)

Teshuva: Dry Cleaning for the Soul

Done something wrong? We all have. Here's how to fix it.

by Rabbi Shraga Simmons


Many people misunderstand the concept of sin. They think someone who sins is a "bad person."

Actually, the Hebrew word chet does not mean sin at all. Chet appears in the Bible in reference to a slingshot which "missed the target." There is nothing inherently "bad" about that slingshot! Rather, a mistake was made ― due to a lack of focus, concentration or skill.

The same is true with us. When we engage in irresponsible or destructive behavior, we have simply misfired. Every human being has a soul, a pure piece of Godliness that distinguishes us from the animals. When we do something wrong, it is because the soul's "voice" has become temporarily muted by the roar of the physical body. This confusion is what we call the "Yetzer Hara." But our essence remains pure. We only need to make a few adjustments ― and we're back on target!

This is the idea of teshuva. Teshuva literally means "return." When we "do teshuva," we examine our ways, identify those areas where we are losing ground, and "return" to our own previous state of spiritual purity. And in the process, we "return" to our connection with the Almighty as well.

The process of teshuva involves the following four steps:

Step 1 - Regret. Realize the extent of the damage and feel sincere regret.

Step 2 - Cessation. Immediately stop the harmful action.

Step 3 - Confession. Articulate the mistake and ask for forgiveness.

Step 4 - Resolution. Make a firm commitment not to repeat it in the future.

Now let's examine each of these steps in-depth.

Step 1: Regret

Sometimes, we try to justify our actions, using a variety of excuses:

"Everyone else is doing it"

"At least I'm not like some people who go around killing and stealing!"

"Who are YOU to say it's wrong?!"

Regret is not really possible unless we can clearly distinguish between right and wrong. Otherwise, we will just rationalize and delude ourselves into thinking we've done nothing wrong. The ever-changing, sliding standards of society contribute to this lack of clarity.

For example, imagine growing up in a house where gossip was constantly spoken. Unless you're introduced to the Jewish idea of Loshon Hara ("negative speech") and made aware of its destructive nature, you may otherwise never consider gossip to be wrong!

(For this reason, it is important to be familiar with halacha, Jewish law, and to have a rabbi who knows you personally and can advise you.

How should we feel upon recognizing a mistake? Should we feel guilty, worthless and bad? No! "Guilt" is the negative emotion saying that "I am bad." Whereas "regret" is the positive acknowledgement that while my essence remains pure, I have failed to live up to my potential.

Feeling regret is a positive sign that we're back in touch with our Godly essence. Our conscience will not let us relax until we've corrected the mistake. Would an evil person feel regret over a transgression?

This first step of teshuva is indeed the most crucial ― because unless a person feels regret, he will most likely continue in his errant ways.

Step 2: Cessation

The Talmud says:

A person who made a mistake and admits it, but does not renounce doing it again, is compared to going into the mikveh holding a dead reptile in his hand. For although he may immerse himself in all the waters of the world, his immersion is useless. However, if he throws [the reptile] out of his hand, then upon immersing in 40 se'ahs of water (the minimum size of a mikveh), his immersion immediately becomes effective. (Ta'anit 16a)

Can you imagine trying to ask forgiveness from someone while you continue to wrong him at the same time? Without stopping the bad action, all the heart-pounding in the whole world won't help.

Step 3: Confession and Asking For Forgiveness

In admitting our mistake, Jewish law prescribes that it be articulated verbally. ArtScroll's Yom Kippur Machzor gives a beautiful explanation of why this is so crucial to the teshuva process:

As an intelligent, thinking, imaginative being, man has all sorts of thoughts flashing constantly through his mind. Even sublime thoughts of remorse and self-improvement are not strange to him, but they do not last. For his thoughts to have lasting meaning, he must distill them into words, because the process of thought culminates when ideas are expressed and clarified.

That is not as easy as it sounds. It is usually excruciatingly difficult for people to admit explicitly that they have done wrong. We excuse ourselves. We refuse to admit the truth. We shift blame. We deny the obvious. We excel at rationalizing. But the person who wrenches from himself the unpleasant truth, "I have sinned," has performed a great and meaningful act.

Teshuva must not only be in our minds and hearts. It is to restore our relationship with the God we have wronged. We must stand before God and ask His forgiveness. If we are sincere He is sure to grant it, but to make amends we must first approach Him and ask.

In addition, if our past actions have hurt another person, we must ask his forgiveness as well. The Torah requires us to be humble and contrite as we ask forgiveness. This is crucial in enabling the "victim" to heal. Has someone ever apologized to you and you knew it was not sincere? Just grunting the words "I'm sorry" is not enough.

Even secular courts are now adopting this principle; some judges are requiring that criminals demonstrate sincere regret and formally apologize to their victims before the court will consider shortening the sentence.

Step 4: Resolution Not To Repeat

On Yom Kippur, we say two prayers ("Asham'nu" and "Al Chet") which contain an extensive list of mistakes. As a matter of fact, as you go through these lists, you'll see the mention of mistakes covering every conceivable aspect of life! This begs the question: By saying these prayers, are we in effect making a commitment to never sin ever again? Is this realistic?

Imagine a new child taking his first steps in front of the proud parents. He gets to his feet, takes a few steps ― and falls flat on his face. The parents clap with excitement and joy. But if you analyze the scenario, shouldn't the parents be upset? After all, the child fell down!

The answer is obvious. A parent doesn't judge a child based on whether he walks or falls, but rather on whether he took a few steps in the right direction.

So, too, with the Almighty. We are not in competition with anyone but ourselves. What concerns Him is whether we're making a sincere effort to move in the right direction. God doesn't ask you to change in an area that is not yet feasible for you to change. We are commanded to be human beings, not angels. This means making a serious commitment to change ― and taking the right steps at the right time.

An individual doesn't need to have all the answers right now. The key is the commitment to change. Be aware of situations in which you're likely to stumble, and keep a safe distance from them. The Torah tells us: Strengthen your resolve in a certain area and God will ensure your success. Nothing that can stand in the way of persistence and determination. As the Talmud (Makkot 10b) says, "In the way that a person wants to go, he will be led."

Waarom Noach en geen Adam?

Geplaatst op 17 maart, 2018 om 11:25 Comments reacties (0)

Waarom Noach en geen Adam?

De zeven voorschriften heten geen Adamitische wetten. Door de zondeval en de tien generaties na Adam die niet deden wat goed was in de ogen van G’d, verloor Adam zijn patriarchale status. Hij was wel de lichamelijke maar niet meer de geestelijke voorvader van de mensheid. Noach werd voor deze positie uitverkoren omdat hij een ‘rechtschapen man’ was, ‘onberispelijk onder zijn tijdgenoten’ (Genesis 6:9).

Daarom gelden niet de zes wetten van Adam, maar de zeven wetten van Noach als richtlijn voor alle volkeren omdat G-d na de vloed een verbond sloot met Noach. Het teken van het verbond dat G-d met Noach sloot was de regenboog, die met haar zeven kleuren een eeuwige herinnering vormt aan de zondvloed en Hasjeems belofte aan Noach om de mens nooit meer

Is er verschil tussen Torah en de zeven Noachidische geboden?

Er is geen principieel verschil tussen de Tora en de zeven Noachidische geboden. Noachiden wijken in hun geloof niet af van de Joodse geloofsprincipes en houden er geen fundamenteel ander gedachtegoed op na. G-d heeft de wereld geschapen en de mens zeven opdrachten meegegeven. Wanneer deze geboden nageleefd worden, is er kans op een vredige wereld.

Avraham heeft zich door zijn erkenning van de éénheid van G-d onderscheiden van zijn omgeving. Door zijn uitzonderlijke religieuze en menselijke eigenschappen koos G-d hem uit als voorvader van een volk met een aparte missie. Uiteindelijk werd die aparte status bezegeld bij de berg Sinaï. Wij (Joden) geloven niet dat onze manier van leven de enige manier is en dat iedereen die niet volgens ons geloof leeft naar de hel zal gaan.

Noachiden en de de 613 Tora voorschriften

Men vraagt me wel eens: mogen niet-Joden de 613 Joodse geboden doen?

De zeven Noachidische wetten zijn de zeven hoofdregels waaruit vele andere regels voortvloeien. Overtreding van deze geboden is strafbaar voor hen.

De Joodse geboden zijn voor hen optioneel. Hoewel de 613 geboden in de Tora niet bindend zijn voor Noachiden, staat het hen vrij om de meeste van deze geboden vrijwillig op zich te nemen. Hier staat ook een Hemelse beloning tegenover. Ze mogen Sjawoe’ot, het Wekenfeest, vieren, want toen zijn de geboden gegeven en ook Rosj hasjana, Joods nieuwjaar want toen werd Adam geschapen. Op deze dag wordt de hele mensheid geoordeeld. Niet-Joden mogen echter de Sjabbat niet als rustdag houden zoals de Joden doen. Ze mogen ook geen nieuwe feestdagen instellen. Geboden die uitsluitend van toepassing zijn op leden van het Joodse volk zijn het houden van Sjabbat of Joodse feestdagen op Joodse wijze, het bestuderen van de Tora gedeeltes die niet relevant zijn voor de Noachidische wetten, het schrijven van een Tora rol, het maken of dragen van tefillien (gebedsriemen), het maken of bevestigen van een mezoeza (Tora tekst aan de huisdeuren) en het accepteren van een alija (opgeroepen worden voor de Tora).

Noachidische geboden als bron van internationaal recht.

De zeven Noachidische geboden vormen de basis van vele culturen. De bekende 17e eeuwse jurist Hugo de Groot haalt deze wetten nogal eens aan als vroege bron van het internationale recht. De Groot houdt zich bezig met de vraag of het verbod op bloedvergieten uit Genesis (9:5-6) verhindert oorlogen te voeren. Zijn antwoord luidt, dat dit oorlog voeren niet belemmert. Als bewijs citeert hij het voorbeeld van Avraham, die de wapens opnam tegen de vier koningen. De Groot veronderstelt dat Avraham op de hoogte was van de Noachidische wetten en zich daaraan hield.

Verder haalt De Groot de oorlog van de Joden, die Egypte net verlaten hadden, tegen de Amalekieten aan. Hij stelt daarbij, dat Mosjeevoor het voeren van deze oorlog G-d niet consulteerde (Ex. 17:9) hoewel hij het Opperwezen normaliter wél raadpleegde. Dit zijn duidelijke bewijzen, dat de Noachidische wetten oorlog als zelfverdediging toelaten.

Tora en pacifisme

De Tora is niet pacifistisch. Oorlog is soms gerecht­vaardigd. Strijd werd echter nooit verheerlijkt. De Tora-benadering van het oorlogsvraagstuk lijkt paradoxaal. Geweld mag toegepast worden om vrede te bewaren. Vrede staat hoog genoteerd in de waarden hiërarchie van de Tora maar onder omstan­digheden is geweld een deugd.

Ondanks de grote nadruk op vrede, spreken de klassieke bronnen klare taal: ‘Wanneer iemand er op uit is U te doden, wees hem dan voor en dood hem eerst’ (Sjoelchan Aroech I:329:6): ‘Wanneer vijandige troepen zelfs maar dreigen aan te vallen, gaat men hen gewapend tegemoet en is het zelfs toegestaan de Sjabbat­rust te ontwijden’.

Omtrent de Tora stelt koning Salomo in Spreuken (3:17) dat ‘al haar paden vreedzaam zijn’. Dit lijkt in schril contrast te staan tot de oorlogswetgeving, waar zelfs een dreiging serieus genomen wordt.

Zelfverdediging is niet alleen geoorloofd; het is zelfs een plicht. Waarom wordt zelfverdediging gezien als een religieuze opdracht? De Tora en de vertegenwoordigers van haar waarden werden door G-d in de geschiedenis geplaatst om in de loop der tijden bepaalde doelen te bereiken. De menselijke factor is hierbij onmisbaar. ‘U bent mijn getuigen, zegt G´d, en Mijn dienaar, die Ik heb gekozen’ (Jesjaja 43:10). Als volk van G-d zijn hun overtuigingen, moreel niveau en uiteindelijk hun fysieke bestaan een G´dsbewijs. Een verdedigingsoorlog wordt verplicht omdat de Tora erfenis levend moet blijven. De Tora eist niet, dat wij onze doodsvijanden onvoorwaardelijk liefde betonen. Wel leert de Tora alleen wreedheid en slecht gedrag te haten maar niet de persoon. Ook onze vijanden zijn mensen. De Tora leert te vergeven en te vergeten. Religie verdraagt zich niet met langdurige haatgevoelens. Maar dit laat het recht op zelfverdediging onverlet.

Het recht op leven.

De keerzijde van een verbod op bloedvergieten is het recht op leven. Hoe staat de Tora daar tegenover? De Tora beschermt dit recht in Ex. 20:12: ‘Gij zult niet moorden’ en in Genesis 9:6: ‘Wie ‘s mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden want naar het beeld van G-d heeft Hij de mens gemaakt’. Met name deze laatste woorden vormen een centraal thema in ons denken. Het houdt in dat de mens gezien wordt als een spiritueel wezen en in staat is tot goeddoen en liefde. Mense­lijk leven afbreken is daarom hoogverraad aan de Tora. Moord verdrijft de

G´ddelijke aanwezigheid uit de wereld. ‘Hij die een mens doodt, vernietigt een hele wereld’ (Sanhedrien 4:5).

De jongste ontwikkeling op het gebied van abortus- en euthana­siewetgeving staan op gespannen voet met de Tora-visie op het leven. In deze tijd wordt de waarde van het leven in brede kring met de mond beleden. Toch staat het leven niet werkelijk hoog in aanzien. Sommige ‘idealisten’ zijn bereid om honderden on­schuldige mensen te doden om hun doelen te bereiken. Velen keuren dit af maar kunnen er niettemin ‘begrip’ voor opbren­gen. Begrip voor misdaad is delen in het kwaad.

De mens als product van een toevallige evolutie is van weinig betekenis. Maar een mens, gecreëerd door G-d voor een verheven doel, wint aan inhoud. Hier ligt de essentie van de Tora-benadering. In het Tora-denken is het verbod op doden absoluut van karakter en door G´d gegeven. De geschiedenis leert, dat ‘man-made’ overtuigingen tot rechtvaar­diging van genocide zonder weerga kunnen leiden, zoals aange­toond in de annalen van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Joegoslavië.

Doodstraf

Het verbod op bloedvergieten staat ook de ter doorveroordeling van een misdadiger niet in de weg. De Tora besteedt veel aandacht aan het slechte gedrag van de mensen uit Sedom. Avraham, houdt een vurig pleidooi om de stad en omgeving te sparen. Uiteindelijk lukt dit niet. G-d vernietigt Sedom en Gomorra. Dit maakt de vraag naar de doodstraf hoogst actueel. De wereld reageert telkens weer zeer verdeeld op de doodstraf. Mogen wij andermans leven nemen?

Een moordenaar krijgt de doodstraf: ‘Wie het bloed van mensen vergiet, zijn bloed zal door de mensen vergoten worden. Want G-d heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt’ (9:6). Hier lijkt de doodstraf een dwingende noodzaak. Iemand die koelbloedig andermans leven neemt, verliest zelf het recht verder te leven. Voorstanders van de doodstraf stellen dat respect voor menselijk leven meebrengt, dat de mens niet ongestraft gedood kan worden. Toch worden in de Tora niet alle gevallen van doodslag met de doodstraf bekocht. Kaïn, David en Achav worden wel gestraft maar niet met een doodvonnis. In 1870 werd de doodstraf in Nederland afgeschaft. Na de Tweede Wereldoorlog werd de doodstraf weer even ingevoerd. Het Sanhedrien te Jeruzalem was reeds 40 jaar vóór de verwoesting van de Tempel, in het jaar 30 na de gewone jaartelling, gestopt met het toepassen van de doodstraf.

In de Talmoed wordt zeer terughoudend met de doodstraf omgesprongen. Zo wordt de wet van ‘de weerspannige zoon’ – die als hij het te bont maakt ter dood veroordeeld kan worden – vier pagina’s lang in de Talmoed besproken (B.T. Sanhedrien 68b-72a) maar daarna wordt besloten dat het geval van ‘de weerspannige zoon’ nooit is voorgekomen en ook nooit zal voorkomen. Deze wet werd alleen gegeven voor studie, maar niet voor de praktijk. In B.T. Sanhedrien 51b wordt de studie van de doodstraffen vergeleken met de studie van de offers, die ook geen praktijk meer zijn.

In de Misjna (Makkot 1:10) wordt gesteld dat een Sanhedrien, dat iemand één keer per zeven jaar ter dood veroordeelt, beschouwd wordt als een bloedbank. Rabbi Elazar ben Azarja meent dat zelfs één keer in de 70 jaar al veel te veel is. Rabbi Tarfon en Rabbi Akiva stellen dat als zij in het Sanhedrien zouden hebben gezeten, er nooit een doodstraf zou zijn uitgesproken. Maar Rabbi Sjimon ben Gamli’eel stelt dat dit averechts zou werken: ‘Met zo een opstelling zouden er veel moordenaars onder Israël zijn’.

Toch werd de doodstraf voor levensgevaarlijke criminelen, soms zelfs tot in de Middeleeuwen, nog uitgesproken. Waar de Joodse rechtbanken met deze juridische bevoegdheden waren bekleed, zoals in Spanje onder de heerschappij van de moslims, werden soms doodvonnissen uitgevoerd, wanneer bepaalde individuen een ernstige bedreiging vormden voor de gemeenschap. In de Responsa van Maharam Lublin (138) staat beschreven dat deze Joodse rechtbanken liever niet een van de vier Bijbelse doodstraffen toepasten, om niet de schijn te wekken dat zij zich Sanhedriale bevoegdheden aanmaten. Toen de eerste moordzaak in de staat Israël werd gehouden telegrafeerden beide Israëlische Opperrabbijnen de minister van Justitie de doodstraf onmiddellijk af te schaffen. Een doodvonnis achtten zij in strijd met de Joodse wet. Toch werd Eichmann ter dood veroordeeld vanwege genocide. Soms kan men niet anders.

Eerdere pogingen om het Noachidische wetstelsel te doen herleven

De meeste Noachidische wetten staan niet expliciet vermeld in de Tora omdat Mosjee slechts die wetten beschreef, die G-d Zelf via hem aan het Joodse volk meedeelde.

Tegenwoordig worden veel pogingen ondernomen om het Noachidische gedachtegoed nieuw leven in te blazen. Dat is niet iets van deze tijd maar is al een oud streven. Maar het heeft een sluimerend bestaan geleid omdat wij (Joden) geen missie bedrijven en de ons omringende volkeren ons vaak verboden om onze overtuiging uit te dragen. Maar na de Emancipatie kwamen toch weer nieuwe initiatieven los. Ongeveer anderhalve eeuw geleden werden weer serieuze pogingen ondernomen om het Noachidische wetstelsel te doen herleven. Nu het Joodse volk zijn morele voortrekkersrol weer durft op te pakken, heeft ook de Noachidische leer weer meer aanzien gekregen.

Universele religie

De wetten van Noach zijn als zodanig van groot belang voor het hedendaagse oecumenisch streven. Ze staan uitgewerkt in de Talmoed, die opgeschreven is tussen 200 en 500 na de gewone jaartelling. Maar toen heersten de Romeinen wreed over Israël. Die trokken zich niets aan van Joodse opvattingen over universeel recht. Het recht van de sterkste gold toen.

Des te opmerkelijker en overtuigender spreekt dit voor de oprechtheid van de Talmoedgeleerden. Waarheidsgetrouw volhardden zij in hun streven naar een universeel recht. Inderdaad deden zij dat in een tijd van voortdurende vervolging door vijandige overheden.

Monotheïsme

De Wijzen van de Talmoed stelden het Noachidische systeem voor als een religie voor de gehele mensheid. Het Noachidische G-dsbegrip wijkt niet af van het pure monotheïsme van Mosjee en de Joodse profeten. Het enige verschil tussen het Joods-religieuze systeem en het Noachidische stelsel is van praktische aard. De Talmoed verwacht slechts van de Noachidische bekeerling, dat hij of zij de wetten van Noach aanvaardt als het resultaat van een G-ddelijke openbaring. Hoewel veel Noachidische voorschriften ingang vonden bij vrijwel alle volkeren, zoals het verbod van stelen en moorden, hebben zij dit niet aanvaard als G-ddelijke wetten. Zij achtten het raadzaam zich aan deze wetten te houden op rationele gronden, omdat een maatschappij daarzonder ondenkbaar is.

Diniem, rechtspraak en wetgeving

Kunnen de zeven Noachidische geboden nog uitgebreid worden? Laten we als voorbeeld het gebod van ‘diniem’ (rechtspraak) nemen. Op grond van de Babylonische Talmoed (Sanhed

Tznius: over modesty.

Geplaatst op 17 maart, 2018 om 11:05 Comments reacties (1)


Tznius / Tzniut / Modesty means: to cover yourself.


We learn in our western culture that it is good to show off. We live in a materialistic world and "things'' are important.

So women dress less, because the fashion industry tells us so. And what can a woman best show off? Indeed.

But... The female body is not a thing. The human body is precious. So the western world can't be farther from the truth.


In Judaism we learn that the body, male and female, is like a diamond.

With the greatest respect we wrap it in. We take care of it and cherish it.

We don't show it to the world. It is important to respect your body.

Don't be attractive to all men, but only to the one you really love. Modesty is beautiful, and women can be really beautiful without showing off.

Judaism teaches us that the body is the clothing of the soul.

We are not our bodies. We are our souls, and that is what we must show to the world. It feels free to dress modest, being yourself.

In fact, modesty is more.

It is also behaviour, knowing when to speak and what to say, it is about being humble and being kind

Here are some tips:

Cover the knees, wear your skirt long or 3/4 long

Cover the elbows, wear your shirts or blouses with long or 3/4 long sleeves

No decollete but high collar blouse, and a bit wide,

no prints on the front of your shirt which accent your front but all around is okay.

And something on the head is great.

Noahides don't have to wear scarves like Jewish women do, but wearing a cap outside, or hat, will do and looks very nice.

 

Text:   BatNoachDaily

Wil je meer blog's lezen van BatNoachDaily? kijk dan op haar bloggers-site:

batnoachdaily7.blogspot.nl




Rss_feed