Het Pad van de Noachied

Kli

Ruimte, licht, schaduw, verbinding, doorgang.

Soms ontdek je opeens  zo'n bijzondere ruimte.  

De leegte verbindt, nodigt uit.

Ook een beetje raadselachtig. Wat gebeurt er als je bij stilte stilstaat.... 

De Patriarchen waren bevriend met de stilte en ze hoorden het Spreken van de Allerhoogste.

Geloven: " You shall know this day and take to your heart that G'd (alone) is G'd in the heavens above and on the earth below- there is none other". 

Handelen: "Fear G'd and keep his commandments, for that is a person's entire duty". Dit doen wij door de zeven universele noachidische wetten of voorschriften in detail te bestuderen en na te volgen

Waarom Noach en geen Adam?

De zeven voorschriften heten geen Adamitische wetten. Door de zondeval en de tien generaties na Adam die niet deden wat goed was in de ogen van G’d, verloor Adam zijn patriarchale status. Hij was wel de lichamelijke maar niet meer de geestelijke voorvader van de mensheid. Noach werd voor deze positie uitverkoren omdat hij een ‘rechtschapen man’ was, ‘onberispelijk onder zijn tijdgenoten’ (Genesis 6:9).

Daarom gelden niet de zes wetten van Adam, maar de zeven wetten van Noach als richtlijn voor alle volkeren omdat G-d na de vloed een verbond sloot met Noach. Het teken van het verbond dat G-d met Noach sloot was de regenboog, die met haar zeven kleuren een eeuwige herinnering vormt aan de zondvloed en Hasjeems belofte aan Noach om de mens nooit meer 

Is er verschil tussen Torah en de zeven Noachidische geboden?

Er is geen principieel verschil tussen de Tora en de zeven Noachidische geboden. Noachiden wijken in hun geloof niet af van de Joodse geloofsprincipes en houden er geen fundamenteel ander gedachtegoed op na. G-d heeft de wereld geschapen en de mens zeven opdrachten meegegeven. Wanneer deze geboden nageleefd worden, is er kans op een vredige wereld.

Avraham heeft zich door zijn erkenning van de éénheid van G-d onderscheiden van zijn omgeving. Door zijn uitzonderlijke religieuze en menselijke eigenschappen koos G-d hem uit als voorvader van een volk met een aparte missie. Uiteindelijk werd die aparte status bezegeld bij de berg Sinaï. Wij (Joden) geloven niet dat onze manier van leven de enige manier is en dat iedereen die niet volgens ons geloof leeft naar de hel zal gaan.

Noachiden en de de 613 Tora voorschriften

Men vraagt me wel eens: mogen niet-Joden de 613 Joodse geboden doen? 

De zeven Noachidische wetten zijn de zeven hoofdregels waaruit vele andere regels voortvloeien. Overtreding van deze geboden is strafbaar voor hen.

De Joodse geboden zijn voor hen optioneel. Hoewel de 613 geboden in de Tora niet bindend zijn voor Noachiden, staat het hen vrij om de meeste van deze geboden vrijwillig op zich te nemen. Hier staat ook een Hemelse beloning tegenover. Ze mogen Sjawoe’ot, het Wekenfeest, vieren, want toen zijn de geboden gegeven en ook Rosj hasjana, Joods nieuwjaar want toen werd Adam geschapen. Op deze dag wordt de hele mensheid geoordeeld. Niet-Joden mogen echter de Sjabbat niet als rustdag houden zoals de Joden doen. Ze mogen ook geen nieuwe feestdagen instellen. Geboden die uitsluitend van toepassing zijn op leden van het Joodse volk zijn het houden van Sjabbat of Joodse feestdagen op Joodse wijze, het bestuderen van de Tora gedeeltes die niet relevant zijn voor de Noachidische wetten, het schrijven van een Tora rol, het maken of dragen van tefillien (gebedsriemen), het maken of bevestigen van een mezoeza (Tora tekst aan de huisdeuren) en het accepteren van een alija (opgeroepen worden voor de Tora).

Noachidische geboden als bron van internationaal recht.

De zeven Noachidische geboden vormen de basis van vele culturen. De bekende 17e eeuwse jurist Hugo de Groot haalt deze wetten nogal eens aan als vroege bron van het internationale recht. De Groot houdt zich bezig met de vraag of het verbod op bloedvergieten uit Genesis (9:5-6) verhindert oorlogen te voeren. Zijn antwoord luidt, dat dit oorlog voeren niet belemmert. Als bewijs citeert hij het voorbeeld van Avraham, die de wapens opnam tegen de vier koningen. De Groot veronderstelt dat Avraham op de hoogte was van de Noachidische wetten en zich daaraan hield.  

Verder haalt De Groot de oorlog van de Joden, die Egypte net verlaten hadden, tegen de Amalekieten aan. Hij stelt daarbij, dat Mosjeevoor het voeren van deze oorlog G-d niet consulteerde (Ex. 17:9) hoewel hij het Opperwezen normaliter wél raadpleegde. Dit zijn duidelijke bewijzen, dat de Noachidische wetten oorlog als zelfverdediging toelaten.

Tora en pacifisme

De Tora is niet pacifistisch. Oorlog is soms gerecht­vaardigd. Strijd werd echter nooit verheerlijkt. De Tora-benadering van het oorlogsvraagstuk lijkt paradoxaal. Geweld mag toegepast worden om vrede te bewaren. Vrede staat hoog genoteerd in de  waarden hiërarchie van de Tora maar onder omstan­digheden is geweld een deugd.

Ondanks de grote nadruk op vrede, spreken de klassieke bronnen klare taal: ‘Wanneer iemand er op uit is U te doden, wees hem dan voor en dood hem eerst’ (Sjoelchan Aroech I:329:6): ‘Wanneer vijandige troepen zelfs maar dreigen aan te vallen, gaat men hen gewapend tegemoet en is het zelfs toegestaan de Sjabbat­rust te ontwijden’.

Omtrent de Tora stelt koning Salomo in Spreuken (3:17) dat ‘al haar paden vreedzaam zijn’. Dit lijkt in schril contrast te staan tot de oorlogswetgeving, waar zelfs een dreiging serieus genomen wordt.

Zelfverdediging is niet alleen geoorloofd;  het is zelfs een plicht. Waarom wordt zelfverdediging gezien als een religieuze opdracht? De Tora en de vertegenwoordigers van haar waarden werden door G-d in de geschiedenis geplaatst om in de loop der tijden bepaalde doelen te bereiken. De menselijke factor is hierbij onmisbaar. ‘U bent mijn getuigen, zegt G´d, en Mijn dienaar, die Ik heb gekozen’ (Jesjaja 43:10). Als volk van G-d zijn hun overtuigingen, moreel niveau en uiteindelijk hun fysieke bestaan een G´dsbewijs. Een verdedigingsoorlog wordt verplicht omdat de Tora erfenis levend moet blijven. De Tora eist niet, dat wij onze doodsvijanden onvoorwaardelijk liefde betonen. Wel leert de Tora alleen wreedheid en slecht gedrag te haten maar niet de persoon. Ook onze vijanden zijn mensen. De Tora leert te vergeven en te vergeten. Religie verdraagt zich niet met langdurige haatgevoelens. Maar dit laat het recht op zelfverdediging onverlet.

Het recht op leven.

De keerzijde van een verbod op bloedvergieten is het recht op leven. Hoe staat de Tora daar tegenover? De Tora beschermt dit recht in Ex. 20:12: ‘Gij zult niet moorden’ en in Genesis 9:6: ‘Wie ‘s mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden want naar het beeld van G-d heeft Hij de mens gemaakt’. Met name deze laatste woorden vormen een centraal thema in ons denken. Het houdt in dat de mens gezien wordt als een spiritueel wezen en in staat is tot goeddoen en liefde. Mense­lijk leven afbreken is daarom hoogverraad aan de Tora. Moord verdrijft de 

G´ddelijke aanwezigheid uit de wereld. ‘Hij die een mens doodt, vernietigt een hele wereld’ (Sanhedrien 4:5).

De jongste ontwikkeling op het gebied van abortus- en euthana­siewetgeving staan op gespannen voet met de Tora-visie op het leven. In deze tijd wordt de waarde van het leven in brede kring met de mond beleden. Toch staat het leven niet werkelijk hoog in aanzien. Sommige ‘idealisten’ zijn bereid om honderden on­schuldige mensen te doden om hun doelen te bereiken. Velen keuren dit af maar kunnen er niettemin ‘begrip’ voor opbren­gen. Begrip voor misdaad is delen in het kwaad.

De mens als product van een toevallige evolutie is van weinig betekenis. Maar een mens, gecreëerd door G-d voor een verheven doel, wint aan inhoud. Hier ligt de essentie van de Tora-benadering. In het Tora-denken is het verbod op doden absoluut van karakter en door G´d gegeven. De geschiedenis leert, dat ‘man-made’ overtuigingen tot rechtvaar­diging van genocide zonder weerga kunnen leiden, zoals aange­toond in de annalen van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Joegoslavië.

Doodstraf

Het verbod op bloedvergieten staat ook de ter doorveroordeling van een misdadiger niet in de weg. De Tora besteedt veel aandacht aan het slechte gedrag van de mensen uit Sedom. Avraham, houdt een vurig pleidooi om de stad en omgeving te sparen. Uiteindelijk lukt dit niet. G-d vernietigt Sedom en Gomorra. Dit maakt de vraag naar de doodstraf hoogst actueel. De wereld reageert telkens weer zeer verdeeld op de doodstraf. Mogen wij andermans leven nemen?

Een moordenaar krijgt de doodstraf: ‘Wie het bloed van mensen vergiet, zijn bloed zal door de mensen vergoten worden. Want G-d heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt’  (9:6). Hier lijkt de doodstraf een dwingende noodzaak. Iemand die koelbloedig andermans leven neemt, verliest zelf het recht verder te leven. Voorstanders van de doodstraf stellen dat respect voor menselijk leven meebrengt, dat de mens niet ongestraft gedood kan worden. Toch worden in de Tora niet alle gevallen van doodslag met de doodstraf bekocht. Kaïn, David en Achav worden wel gestraft maar niet met een doodvonnis. In 1870 werd de doodstraf in Nederland afgeschaft. Na de Tweede Wereldoorlog werd de doodstraf weer even ingevoerd. Het Sanhedrien te Jeruzalem was reeds 40 jaar vóór de verwoesting van de Tempel, in het jaar 30 na de gewone jaartelling, gestopt met het toepassen van de doodstraf.

In de Talmoed wordt zeer terughoudend met de doodstraf omgesprongen. Zo wordt de wet van ‘de weerspannige zoon’ – die als hij het te bont maakt ter dood veroordeeld kan worden – vier pagina’s lang in de Talmoed besproken (B.T. Sanhedrien 68b-72a) maar daarna wordt besloten dat het geval van ‘de weerspannige zoon’ nooit is voorgekomen en ook nooit zal voorkomen. Deze wet werd alleen gegeven voor studie, maar niet voor de praktijk. In B.T. Sanhedrien 51b wordt de studie van de doodstraffen vergeleken met de studie van de offers, die ook geen praktijk meer zijn.

In de Misjna (Makkot 1:10) wordt gesteld dat een Sanhedrien, dat iemand één keer per zeven jaar ter dood veroordeelt, beschouwd wordt als een bloedbank. Rabbi Elazar ben Azarja meent dat zelfs één keer in de 70 jaar al veel te veel is. Rabbi Tarfon en Rabbi Akiva stellen dat als zij in het Sanhedrien zouden hebben gezeten, er nooit een doodstraf zou zijn uitgesproken. Maar Rabbi Sjimon ben Gamli’eel stelt dat dit averechts zou werken: ‘Met zo een opstelling zouden er veel moordenaars onder Israël zijn’.

Toch werd de doodstraf voor levensgevaarlijke criminelen, soms zelfs tot in de Middeleeuwen, nog uitgesproken. Waar de Joodse rechtbanken met deze juridische bevoegdheden waren bekleed, zoals in Spanje onder de heerschappij van de moslims, werden soms doodvonnissen uitgevoerd, wanneer bepaalde individuen een ernstige bedreiging vormden voor de gemeenschap. In de Responsa van Maharam Lublin (138) staat beschreven dat deze Joodse rechtbanken liever niet een van de vier Bijbelse doodstraffen toepasten, om niet de schijn te wekken dat zij zich Sanhedriale bevoegdheden aanmaten. Toen de eerste moordzaak in de staat Israël werd gehouden telegrafeerden beide Israëlische Opperrabbijnen de minister van Justitie de doodstraf onmiddellijk af te schaffen. Een doodvonnis achtten zij in strijd met de Joodse wet. Toch werd Eichmann ter dood veroordeeld vanwege genocide. Soms kan men niet anders.

Eerdere pogingen om het Noachidische wetstelsel te doen herleven

De meeste Noachidische wetten staan niet expliciet vermeld in de Tora omdat Mosjee slechts die wetten beschreef, die G-d Zelf via hem aan het Joodse volk meedeelde.

Tegenwoordig worden veel pogingen ondernomen om het Noachidische gedachtegoed nieuw leven in te blazen. Dat is niet iets van deze tijd maar is al een oud streven. Maar het heeft een sluimerend bestaan geleid omdat wij (Joden) geen missie bedrijven en de ons omringende volkeren ons vaak verboden om onze overtuiging uit te dragen. Maar na de Emancipatie kwamen toch weer nieuwe initiatieven los. Ongeveer anderhalve eeuw geleden werden weer serieuze pogingen ondernomen om het Noachidische wetstelsel te doen herleven. Nu het Joodse volk zijn morele voortrekkersrol weer durft op te pakken, heeft ook de Noachidische leer weer meer aanzien gekregen.

Universele religie

De wetten van Noach zijn als zodanig van groot belang voor het hedendaagse oecumenisch streven. Ze staan uitgewerkt in de Talmoed, die opgeschreven is tussen 200 en 500 na de gewone jaartelling.  Maar toen heersten de Romeinen wreed over Israël. Die trokken zich niets aan van Joodse opvattingen over universeel recht. Het recht van de sterkste gold toen. 

Des te opmerkelijker en overtuigender spreekt dit voor de oprechtheid van de Talmoedgeleerden. Waarheidsgetrouw volhardden zij in hun streven naar een universeel recht. Inderdaad deden zij dat in een tijd van voortdurende vervolging door vijandige overheden.  

Monotheïsme

De Wijzen van de Talmoed stelden het Noachidische systeem voor als een religie voor de gehele mensheid. Het Noachidische G-dsbegrip wijkt niet af van het pure monotheïsme van Mosjee en de Joodse profeten. Het enige verschil tussen het Joods-religieuze systeem en het Noachidische stelsel is van praktische aard. De Talmoed verwacht slechts van de Noachidische bekeerling, dat hij of zij de wetten van Noach aanvaardt als het resultaat van een G-ddelijke openbaring. Hoewel veel Noachidische voorschriften ingang vonden bij vrijwel alle volkeren, zoals het verbod van stelen en moorden, hebben zij dit niet aanvaard als G-ddelijke wetten. Zij achtten het raadzaam zich aan deze wetten te houden op rationele gronden, omdat een maatschappij daarzonder ondenkbaar is. 

Diniem, rechtspraak en wetgeving

Kunnen de zeven Noachidische geboden nog uitgebreid worden? Laten we als voorbeeld het gebod van ‘diniem’ (rechtspraak) nemen. Op grond van de Babylonische Talmoed (Sanhedrien 59a), zijn alle Geleerden het erover eens, dat hieronder zowel een gebod als een verbod valt. Het gebod is de instelling van rechtbanken en het verbodsaspect hiervan houdt in, dat elke daad, die als mogelijk gevolg heeft, dat er een onjuiste beslissing door de rechtbank wordt genomen, ongeoorloofd is. Verder vallen onder het gebod van rechtspraak vele bepalingen uit het Joodse wetsysteem. Zo zijn de volgende Joodse bepalingen ook van kracht voor de Noachiden: 

1. Het gebod om in elke leefgemeenschap rechters en uitvoerders van de rechtelijke beslissingen aan te stellen, in moderne termen: de rechterlijke en uitvoerende macht;  

2. Het gebod om de strijdende partijen voor de wet gelijk te behandelen en getuigen op degelijke wijze te onderzoeken; 

3. Een aantal verboden, zoals het verbod tegen overschrijden van bevoegdheden, het aannemen van steekpenningen, het voortrekken van de ene partij boven de andere als uiting van partijdigheid of angst voor één van de partijen, het bevoordelen uit medelijden van een armlastige of zielige partij bij het geding, het aanstellen van een onkundig of onbedreven rechter, het horen van één van de partijen in afwezigheid van de andere partij, eigenrichting en het afleggen van valse getuigenissen en nog enkele verboden, die Maimonides opnoemt bij de Tora verboden, in totaal 20 van de 613 ge- en verboden van de Tora.

Volgens Maimonides (1135-1204, Fostat) houdt het Noachidische gebod van rechtspraak slechts deze 20 bepalingen in. Nachmanides (1194-1270, Gerona) is echter de mening toegedaan, dat rechtspraak veel meer omvat dan de hiervoor opgesomde ge- en verboden. Nachmanides geeft dit aan in zijn commentaar op het Bijbelse verhaal van de verwoesting van de stad Sjechem door de stamvaders Sjimon en Levi, de zonen van Ja’akov, uit wraak voor de aanranding van hun zuster Dina in het 34e hoofdstuk van Genesis.

Bron: NIK

Torah voor de volken.

Er zit een een bepaalde eenvoud in het Noachidische verbond. Een heldere, universele  basiscode  bestaande uit zeven richtlijnen. Geen officiele religieuze ceremonieen, geen hiërarchie. De reden die hierachter zit is dat het verboden is in de Torah dat de mens een nieuwe religie tot stand brengt. G'd spreekt zich via Mozes uit  op de berg Sinai (Matan Torah). 

Naast de geschreven Torah is er ook een mondelinge Torah. Deze Mondelinge Torah is ook aan Mozes onderwezen op Sinai. Doordat het volk in zeer groot gevaar verkeerde, en er de angst was dat de kennis verloren zou gaan, is het opgeschreven.

wordt vervolgd...


Introductie: de zeven noachidische wetten.

God gave the first six commandments to Adam and Hava (Eve), the first human beings.

These commandments were repeated to Noah, and a seventh commandment was added, when, after the Flood, God established the Covenant of the Rainbow with Noah and all of the world’s creatures. This covenant is not dependent on mankind’s observance of these Seven Laws of Noah. Rather, the Noahide Code established the context and the eventual goal for a renewed world in which this covenant could be the open and enduring expression of God’s love for His creation. It was God’s promise to all living creatures that He would never again obliterate all land-life from the world, as stated in  Genesis 9:11 – “never again will there be a flood to destroy the earth.” The Covenant of the Rainbow has an inner meaning as well: it was God’s promise that He would always accept a person’s sincere personal repentance if it was directed to Him. From that point on, God endowed mankind with the ability to seek and gain His forgiveness, and with this He insured that a person’s freedom to choose good includes the strength to prevail over animalistic and self-centered desires.

Still, the Seven Commandments received by Noah could have been challenged at a later time by any charismatic misleader who also claimed to be a prophet, and how would a person know which course to follow? This points to the singular importance of the revelation at Mount Sinai to the Jewish people, 50 days after God brought them out from slavery in Egypt. At Mount Sinai, the Creator revealed Himself to a nation of at least three million of people, making them all witnesses to testify to their future children and the world, so that no person in any generation could arise to seriously refute the prophecy and instruction which Moses received, which is called the Torah. Included in the Torah was the Noahide Code, to be preserved for the generations of mankind.

The entire Book of Genesis, and the Book of Exodus up to and including the arrival of the Israelites at Mount Sinai, were dictated by God to Moses when they arrived there. There was then a first covenant made between God and the Israelites on that first part of the Written Torah, which included their acceptance of the Noahide Code. Thus, the Divine moral code of Seven (Universal) Commandments was renewed, after it had become neglected by the rest of the nations. That was four days before the Ten (Jewish) Commandments were spoken openly by God to all of the Israelites, at which point they became the Jewish people.

At Mount Sinai, God taught the essentials of the Torah’s precepts through Moses, and this is called the Oral Torah. Included in this are the details of God’s directive for all Gentiles to observe their Seven Noahide Commandments. These details, as God specified them to Moses, are the true foundation of the Universal Noahide Code. A righteous Gentile merits to receive a place in the eternal future World to Come, in the Messianic Era, through observance of these commandments. That is a Gentile’s part in the Torah of Moses, which is God’s “Tree of Life” (Proverbs 3:18). It all begins with recognizing the perfect Unity of the Creator.

By Rabbi Dr. Michael Schulman (original text posted on and copyright © by Asknoah.org)

The origin of the Sven commandments.

Five of the Noahide Commandments are explicitly found in different verses in the Book of Genesis, and one is found in Leviticus. The remaining one (and in fact all them) can be inferred from a single verse in Genesis.

  1. To Believe in God - Do Not Worship a False Deity
    Genesis 2:16 states: “And Lord God commanded to the man, saying…” This Divine command to Adam implies that only the One True God, the Creator of the spiritual and physical realms, should be obeyed and honored as the Deity, and the greatest honor is to serve and worship Him. Thus, one should serve and worship only the One True God, and not any idol. [1]
  2. To Honor God - Do Not Commit Blasphemy
    Leviticus 24:10-17 relates the incident of a Jew who violated the injunction of Exodus 22:27 and blasphemed in anger. Moreover, it states in Leviticus 24:15, “ish ish” (any man) who curses his God shall bear his sin.” Why the double expression of “ish ish” (literally: “a man, a man”)? To include all mankind, Jews and Gentiles. This demonstrates that blasphemy thus is prohibited to Gentiles even as it is for Jews. [2]
  3. To Respect Life - Do Not Commit Murder or Injury
    The edict against murder, and the punishment for this transgression, is stated in Genesis 9:6: “Whoever sheds the blood of man, among man, his blood shall be shed; for in the image of God He made man.”
  4. To Respect Family Unity - Do Not Have Forbidden Sexual Relations
    Five of the six types of relations that are forbidden by God to Gentiles are covered in Genesis 2:24: “Therefore a man shall leave his father and his mother and cling to his wife, and they shall become one flesh.” This verse explicitly forbids relations with one’s mother, with a woman who has ever been his father’s domestic partner or certified wife, with a woman who is currently a domestic partner or certified wife of another man, with another male, or with an animal. A Gentile is also forbidden to have relations with his maternal sister, which is learned from Gen. 20:13: “Moreover, she is indeed my sister, my father’s daughter, though not my mother’s daughter; and she became my wife.” (Note that Abraham said this to appease Abimelech. It was actually only figuratively true in his case, since Sarah was the daughter of Abraham’s brother. So they had the same paternal grandfather, who people often referred to as “father.”)

It also was universally accepted that father-daughter relations would be included, as evidenced by the disgrace of Lot after he had relations with his two daughters, following God’s destruction of Sodom and Gomorrah (Gen. 19:29-36, and Rashi’s explanation of Gen. 20:1). Relations of a female with a female are likewise an abomination to God which is included as one of the subjects of the verse Lev. 18:3, which speaks against the immoral practices of the ancient Egyptians and Canaanites, and which Lev.18:30 refers to as “abominable traditions.” About these, the Midrash (Sifra) specifies: “A man would marry a man, a woman would marry a woman, and a woman would be married to two men.”

  1. To Respect Others Property - Do Not Commit Theft
    The prohibition of theft is contained within the permission which God granted to Adam and Hava (Eve) in Genesis 2:16 to eat from the trees of the garden. This implies that if the permission had not been granted, they would have been forbidden to do so, because the property did not belong to them. This applied specifically to the fruit of the Tree of “Knowledge of Good and Evil” which was forbidden for them to take, under penalty of death (Genesis 2:17). This Noahide commandment was cited explicitly by Abraham in Genesis 21:25.
  2. To Respect Nature - Don’t Eat Meat that was Taken from a Live Animal
    Adam and Hava (Eve) were not given permission to kill animals for food, and this remained in effect until after the Flood. God permitted the eating of meat for the first time to Noah and his family after they left the Ark, which is why God at that time added the seventh commandment, which prohibits the eating of meat that was severed from a living animal (even if it was stunned and insensitive). This commandment given to Noah is recorded in Genesis 9:4: “But meat, with its soul [which is in] its blood you shall not eat.”
  3. To Establish Laws and Courts of Justice
    God commanded Noah regarding the trial and punishment of a murderer, as it says in Genesis 9:6, “Whoever sheds the blood of man, among man, his blood shall be shed…” This refers to a Noahide commandment to judge and penalize a murderer.This is explained as follows by the Talmudic Sages: “Whoever sheds the blood of man” (referring to the murderer), “among man” (i.e., he is to be prosecuted in a court by a man who is qualified to testify as a witness), “his blood shall be shed” (if convicted, he is liable to capital punishment by the court). The Noahide Code specifies that Gentile societies are obligated to abide by justice through establishing a system of righteous courts of law.

Timeline of God’s re-affirming the Noahide Commandments at Mount Sinai, where He commanded them with specific details as part of the eternal Torah of Moses:

As God decided for reasons known to Him, some of the verses in the Torah that refer to these events are not placed in chronological order. Here they are presented according to the order of what took place:

1st day / Ex. 19:1-2. The Israelite nation encamped at Mount Sinai, on the 45th day after God led them out in their exodus from slavery in Egypt.

2nd day / Ex. 19:3-8. Moses ascended to the top of Mt. Sinai to receive instructions from God, and then he descended. The Israelites agreed that they would obediently enter into the Jewish covenant, when they said, “Everything that God has spoken we shall do!”

3rd day / Ex. 19:8 (starting from “Moses brought back the words of the people to God”) to Ex. 19:9 (up to … “and they will believe in you [Moses], also forever”). Moses then ascended Mt. Sinai again, reported to God, received His next instructions, and then descended.

4th day / Ex. 19:9 (starting from “Moses told the words of the people to God”) to Ex. 19:14, and then the continuation skips to Ex. 24:1-4 (through “Moses wrote all the words of God”). Moses ascended Mt. Sinai again to receive instructions from God, and descended to tell the people all the Divine laws that had been commanded up until that time.

Note that the recounting and recording of the Seven Noahide Commandments by Moses took place at Mount Sinai on this day, two days before God spoke openly to the entire Jewish nation. In Ex. 24:3, it says “Moses came and told the people all the words of Go-d and all the laws…” Here, “all the laws” refers to the Seven Noahide Commandments and a few of the Jewish Commandments, all of which the Israelites had already been commanded before they arrived at Mt. Sinai. (Moses told these commandments to the Israelites at Marah, after they crossed through the sea – see Exodus 15:25.)

In Ex. 24:4, “Moses wrote all the words of God” means that at that time, he wrote down the Book of Genesis – that contains the verses which inform us of the earlier Covenant of the Rainbow and the Noahide Commandments – and the Book of Exodus up to that point. Thus, God commanded upon the Jewish people that based upon the revelation at Mount Sinai, they would have the responsibility for preserving and publicizing the Noahide Commandments and all their details, which are for all the nations of the world for all generations.

5th day / Ex. 24:4 (from “He [Moses] arose early in the morning…”) to Ex. 24:11. This is the day that Moses built an alter, and read to the people the “Book of the Covenant” (the Book of Genesis, including the Seven Noahide Commandments, and part of Exodus up to that point).

6th day / Ex. 19:16-20:18, and Ex. 24:12-15. God openly spoke 10 of the 613 Jewish Commandments to the people, and Moses then ascended Mount Sinai, to learn more of the Jewish Commandments from God for 40 days and 40 nights. (Many of these Jewish commandments are recorded in Ex. 20:19 to Ex. 23:22.)

Footnotes:

[1] The Oral Torah (Tractate Sanhedrin, ch. 7) explains how all of these 7 Noahide Commandments are encoded within the Hebrew text of the verse Genesis 2:16: “And Lord God commanded the man, saying, “Of every tree of the garden you may freely eat.’ ”

[2] Tractate Sanhedrin, p. 56a).

By Rabbi Dr. Michael Schulman (original text posted on and copyright © by Asknoah.org)


Het verbod op Lasjon Hara (kwaadspreken)

De Talmoed vertelt dat de tong een zo gevaarlijk instru­ment is, dat hij achter twee bescher­mende muren (de lippen en de tanden) verborgen moet blijven, zodat wij hem niet kunnen zien, om misbruik te voorkomen. 

De schade die ontstaat door praten is erger dan de schade die ontstaat door stelen of oplichten, want dat zijn financiële schades, die te compenseren zijn, maar schade die door woorden is gemaakt, valt nimmer te repareren. Daarom zeggen sommige bronnen dat er geen vergiffenis bestaat voor lasjon ha-ra [kwaad­spreken]. Een Chassidisch verhaal illustreert dit: Een man vertelde eens in zijn dorp roddelverhalen over de plaatselijke Rabbijn. Later realiseerde hij zich wat hij verkeerd gedaan had en hij kreeg spijt. Hij ging naar de rabbijn en vroeg om vergiffenis, en hij verklaarde dat hij bereid was om alles te doen om het weer goed te maken. „Neem een zak met graan", sprak de Rabbijn, „en strooi dat uit in de wind, en kom over een week weer bij mij terug." De man vond dat een vreemd antwoord, maar omdat het makkelijk was uit te voeren, deed hij dat. Na een week kwam hij terug bij de Rabbijn, om te vertellen wat hij gedaan had en om te vragen wat hij nu verder nog moest doen. „Ga nu al die graankorrels verzamelen," zei de Rabbijn. „Maar hoe kan dat nou," reageerde de man verbaasd, „die zaden zijn alle kanten op gewaaid en sommige zijn al in de grond terecht gekomen en hebben daar misschien al wortel geschoten." „Precies," zei de Rabbi, „zo is het ook met je geroddel. Al je woorden zijn verspreid in de wind en sommige hebben wortel geschoten, en die kun je net zo min ongedaan maken als je die graankorrels niet meer kunt verzamelen.De schade die je veroorzaakt heb is niet meer te herstellen" 

Spraak is als een afgeschoten pijl. Als hij eenmaal is losgelaten, keert hij nimmer meer terug. De schade die is aangericht door kwaadspreken, is onvoorspelbaar en onherstelbaar. 

Roddel

Er zijn twee mitswot in Tora  die gaan over onbehoorlijk spreken: „Je zult niet rondgaan onder je volk als een roddelaar" (Lev. 19:16), en „Je zult een ander geen kwaad doen" (Lev. 25:17), hetgeen traditioneel wordt opgevat als iemand  kwaad doen, door over hem te praten. 

Roddel is in feite alles wat we over iemand anders vertellen. Het Hebreeuwse woord voor roddel is rachiloet, dat is afgeleid van een woord (RaCHaL) dat leuren of venten betekent. Het idee daarachter is, dat een roddelaar vergelijbaar is met een koopman. Zijn koopwaar is zijn roddelverhalen. Hij handelt in infor­matie, in plaats van in goederen. Wij leven in het „Informatie-tijdperk", waar het product „informatie" dagelijks in de media ge- en misbruikt wordt. Maar we zien dat het niets nieuws is en dat het al in Tora genoemd wordt. 

Men overtreedt deze mitswa als men over een ander persoon praat, zelfs al is het waar, zelfs al is het niet negatief, zelfs al is het niet geheim, zelfs al schaadt het niemand, zelfs al zou de persoon waarover het gaat, het misschien desgevraagd ook verteld hebben, dan nog is het roddel en verboden! Er wordt gezegd dat roddelen tot bloedvergieten kan komen. Daarom zijn de volgende woorden van Tora: „Je zult niet stil zijn als het bloed van je naaste vergoten wordt." 

Degene die luistert naar roddel is nog erger dan degene die het vertelt, want men kan met roddel geen kwaad doen als er niemand naar luistert. Daarom wordt er gezegd dat lasjon ha-ra drie mensen doodt, degene die het spreekt, degene die er naar luistert en degene over wie het gaat. 

Volgens de Joodse wet wordt alles als geheim beschouwd, tenzij iemand expliciet zegt dat het geopen­baard mag worden. Daarom zul je kunnen opmerken dat in Tora G-d steeds tegen Mosjé zegt: „Spreek tegen de Israëlieten en zeg hen…": Als G-d dat niet expliciet tegen Mosjé gezegd had, zou het Mosjé verboden zijn de woorden van G-d te herhalen. Er bestaat geen tijdslimiet op geheimen. De Tal­moed vertelt van een Tora-student die een geheim na 22 jaar onthult, en die daarop onmiddellijk uit het leerhuis werd verbannen. 

De ernstigste van deze roddelverhalen is lasjon ha-ra [letterlijk: de kwade tong]. Dit is iemand in diskre­diet brengen door negatieve dingen over hem te vertellen, zelfs al zijn deze negatieve dingen waar. De Talmoed vergelijkt dit met de drie ernstigste misdaden die een mens kan begaan: moord, afgoderij en incest. Wanneer men voor de keuze staat om een van deze drie misdaden te begaan of om zijn eigen leven op te geven (de Hemel beware ons daarvoor), dat moet men zijn eigen leven daarvoor opofferen. De Tal­moed zegt  dat lasjon ha-ra even erg is als alle drie deze misdaden samen, want het kan een van de drie, of zelfs alledrie deze misdaden ten gevolge hebben.

Het is verboden om zelfs maar iets negatiefs over iemand te suggereren. Het is ook verboden om voor de grap iets negatiefs over iemand te zeggen. Het wordt ook als een „schaduw" van lasjon ha-ra beschouwd, als men iets positiefs over iemand vertelt, in aanwezigheid van zijn vijand (of iemand die een hekel aanhem heeft), want dat zal zijn vijand aan­spo­ren om iets negatiefs te antwoorden over die persoon, om je tegen te spreken. Daarom moet men ook geen positieve dingen over iemand vertellen, want toehoorders zijn altijd geneigd daar iets negatiefs tege­nover te stellen. Men hoort nu eenmaal liever negatieve kritiek over iemand anders, dan iets positiefs.! 

Iemand die lastertaal over iemand spreekt, spreekt motsei sjeem ra. Dat doet men als men valse negatieve verhalen over iemand vertelt. Dit wordt beschouwd als het laagste van het laagste.

Het wordt in het algemeen niet als een zonde beschouwd om iets te herhalen dat in het bijzijn van drie personen verteld werd door de betrokkene zelf. Want dan heeft hij het zelf reeds „openbaar" gemaakt. Maar dit geldt niet als in aanwezigheid van drie personen over iemand anders geroddeld wordt. Dan mag men het zeker niet verder vertellen. En ook als men het van de betrokkene zelf in aanwezigheid van drie personen gehoord heeft, moet men het niet verder vertellen, wanneer duidelijk is, dat het roddelverhaal daarmee verder verspreid wordt. 

Wanneer is het toegestaan over iemand anders te praten? 

Er zijn een paar omstandigheden die een uitzondering vormen, waarbij het niet alleen is toegestaan om iets negatiefs over een ander te vertellen, maar waar het zelfs gewenst of zelfs vereist is. Dit geldt in de eerste plaats voor een Joodse rechtbank (een Beit Din), want het is een mitswa om te getuigen en die mitswa  schuift het verbod op lasjon ha-ra opzij. Dus men is voor een Beit Din verplicht dingen te onthul­len over iemand, zelfs wanneer men die in strikt vertrouwen heeft gehoord, zelfs wanneer dat de persoon in kwestie zal schaden. Dit alles uitsluitend wanneer de rechters van het Beit Din daarom vragen. 

Men is ook verplicht informatie te onthullen als men daarmee iemand kan beschermen tegen onmiddel­lijke en ernstige schade. Bijvoorbeeld, wanneer men hoort dat iemand van plan is een ander te vermoor­den, dan is hij verplicht dat te melden. Hier schuift het gebod: „Je zult niet ijdel ter zijde blijven staan als het bloed van je naaste verspild wordt," het verbod op Lasjon ha-ra terzijde.

Onder bepaalde omstandigheden is het ook toegestaan negatieve informatie over iemand te onthullen, wanneer duidelijk is dat iemand anders met deze persoon een relatie zal aangaan, die hem schade zal veroorzaken en die met deze informatie kan worden voorkomen. Bijvoorbeeld mag men aan iemand vertellen dat een potentiële bedrijfspartner onbetrouwbaar is. Maar wanneer men hem van de relatie kan afhouden, zonder de negatieve informatie te onthullen, heeft dat de voorkeur. 

Iemand met woorden schaden 

Leviticus 25:17 zegt: „Je zult iemand geen nadeel berokkenen." Dit wordt traditioneel opgevat dat men iemand niet met woorden mag schaden. Het houdt teven iedere uitlating in die beschamend, beledigend of deni­grerend is voor iemand anders, of die iemand emotionele pijn veroortzaakt. 

Voor verdere bestudering van de wetten van Lasjon Hara 

http://torah.org/learning/halashon/

.


door ★ Owner | 0 comments
door ★ Owner | 0 comments
door ★ Owner | 0 comments
door ★ Owner | 0 comments